Home

Als je ergens middenin zit, is het een stuk moeilijker om alles scherp te zien

Onderweg naar huis van een boodschappenronde zag ik twee vrouwen op de weg staan. Halverwege het oversteken hielden ze op de vluchtheuvel een gesprek, waarbij de ene vrouw met haar blindenstok naar een punt wees verderop in de straat. ‘Kijk, daar’, leek ze te zeggen. De andere vrouw gehoorzaamde, en keek. Er volgde een begripvolle knik. Die tweede vrouw had potdorie óók een blindenstok in haar hand, die geestdriftig met de woorden van zijn eigenaar meedeinde. Het schouwspel van twee vrouwen die elk met de rood-witte stok naar iets stonden te wijzen leek afkomstig uit een sketch van John Cleese. Maar eenmaal binnen gehoorafstand bleek de eerste vrouw te zeggen: ‘Tot dat punt kan ik nog zien, daarna wordt het wazig.’ Bij de andere vrouw lag het punt iets verderop.

Ik vond het een mooie ontmoeting: aan elkaar vertellen tot welk punt je vermogen reikt om de zaken nog scherp te zien. Er woedt in onze samenleving een woordenstrijd over van alles en nog wat, aan geestdrift ontbreekt het niet. Aan resultaat des te meer.

Zou het geen aardig idee zijn als iedereen bekende tot welk punt zijn of haar vermogen reikt om de zaken nog scherp te zien? Dat je dan bijvoorbeeld tegen iemand zegt: ‘Die hele stikstofpaniek begreep ik heus, tot het moment dat de vlaggen ondersteboven moesten en overal stront lag. Toen werd het me te wazig.’ Met zo’n mededeling wordt eerder duidelijk wanneer of waarom iemand is afgehaakt, zonder dat er een oordeel aan vast hoeft te zitten over de boeren zelf. Of: ‘Natuurlijk moeten we mensen opvangen die zijn gevlucht voor oorlog en hongersnood. Maar ik zie niet goed hoe dat kan als we zelf geen betaalbare woningen meer kunnen vinden.’ Dan kan de discussie zich richten op de zorgen die mensen ervaren, in plaats van door te schakelen naar het onderwerp vreemdelingenhaat.

Op een dag als vandaag worden we herinnerd aan een pijnlijke geschiedenis. De getuigenissen van overlevenden en nabestaanden maken steevast diepe indruk en stemmen tot nederigheid. Laatst zat ik met mijn kinderen te kijken naar een aflevering van Het Klokhuis, waarin een oude man vertelde hoe hij als Joods kind in de oorlog van onderduikadres naar onderduikadres was gesleept. Op één adres had hij drie maanden lang in zijn eentje op een zolder gezeten, afgezien van het eten dat werd gebracht had hij met niemand contact en bracht hij hele dagen in stilte door. Hij was toen 6 jaar oud.

De Dodenherdenking brengt ons terug naar een tijd waarin onvoorstelbare dingen voorstelbaar bleken, een tijd waarin het kwaad niet groter had kunnen zijn. De tijd waarin wij nu leven is godzijdank anders – voor wat betreft ons eigen land tenminste. Maar in plaats van dat grote, onvoorstelbare kwaad hebben we te maken met een sluimerend venijn dat in het kleine, dagelijkse is gaan zitten. En dat terwijl we in een rijk land leven waarin mogelijkheden enkel worden begrensd door alternatieven. De uitdaging zit ’m nu in het vinden van opofferingsbereidheid en gezamenlijkheid ondanks de afwezigheid van één onmiskenbare vijand.

Terugkijkend is het makkelijk wijzen naar de reden waarom dingen verkeerd liepen. Maar als je er middenin zit, is het vermogen om de zaken scherp te zien een stuk lastiger. Nederigheid past daarom niet alleen bij terugkijken op het verleden, maar ook bij de beoordeling van het heden.

Source: Volkskrant

Previous

Next