Home

Ik zonk op mijn knieën, want om me heen werd het zwart

Ik bevond me in de ontbijtzaal van het beruchte Adelphi-hotel te Liverpool, ooit het summum van Titanic-achtige grandeur, maar inmiddels een verloederd kavalje met mottige gordijnen, gebruikte pleisters onder het bed, kotsvlekken op het tapijt en matrassen die ‘poinnnggg’ doen tussen je ribben als je net in slaap sukkelt.

Ook had ik juist een nogal deprimerend tête-à-tête gehad met een meeuw die lawaaiig was neergeploft in het kozijn, en met zijn snavel op mijn raam had geroffeld tot ik hem een overgeschoten koekje toeschoof. Hij slokte het naar binnen terwijl hij mij met kille ogen aankeek.

De ontbijtzaal rook naar een mengsel van oud spekvet en geurboompjes uit taxi’s. Op het buffet lagen slijmerige gebakken eieren hoog opgetast naast worstjes van verse papier-maché en een stuwmeer van witte bonen in tomatensaus. Muziek: ‘Pap-pap-pap-ageno’ uit Die Zauberflöte. De temperatuur van de ontbijtzaal: een graad of acht te warm. De toestand: een lichte kater, dus híer met die worsten.

Aan tafel las ik wat over het hotel. Lang geleden was het beroemd om zijn schildpadsoep. Er was, een stuk minder lang geleden, een man verzopen in het zwembad (sindsdien gesloten). En er was, alarmerend kort geleden, een ‘mooie, jonge vrouw’ om zeep geholpen door een omvallende garderobekast.

Ik stapte in de lift om boven mijn tanden te gaan poetsen. In de lift was het nóg warmer. Naast me een hoogbejaard, zwaarlijvig echtpaar, de vrouw in een rolstoel. Zij droeg een pluizige trui met gouden sterren erop. Ze zweette.

De lift stopte, maar de deur ging niet open. De lift ging verder, helemaal naar boven. Ook daar bleef de deur dicht. ‘Oh, dear’, zei de vrouw benauwd. Ze wuifde zichzelf koelte toe met een folder van het Merseyside Maritime Museum. De man mompelde iets sussends. De lift ging weer naar beneden, en bleef ook daar dicht. Het echtpaar zweeg beklemd. Ik probeerde ze bemoedigend toe te lachen, maar mijn bovenlip zweette verraderlijk. De lift ging weer omhoog. En weer naar beneden. En weer omhoog. Ik zonk op mijn knieën, want om me heen werd het zwart.

Ik kwam bij toen eindelijk de deur van de lift hortend half openschoof, op de bovenste verdieping. Ik wrong me naar buiten en wankelde al die trappen af, naar de receptie. ‘De lift is stuk’ riep ik tegen de juffrouw achter de balie. ‘Oh, dear...’, sprak ze verveeld. ‘Er zit een oude dame in, in een rolstoel.’ drong ik aan. ‘Oh, dear...’, geeuwde ze, en keek op haar horloge.

Haar ogen waren kil, als van die meeuw.

Source: Volkskrant

Previous

Next