Wie wil, kan vanaf 1 januari 2025 online de dossiers doorzoeken van ruim 300 duizend Nederlanders die werden verdacht van samenwerking met de vijand tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op die datum worden de ‘collaboratiedossiers’ van het Nationaal Archief, digitaal toegankelijk. Het bericht, begin dit jaar, leidde onmiddellijk tot verontruste reacties van families die vrezen – opnieuw – te worden geconfronteerd met de keuzen van hun voorouders. Waarna, terecht, de oproep volgde zorgvuldig met de inhoud van de dossiers om te gaan.
Dat die openbaarmaking voor families heftig kan zijn, ondervond ik zelf, niet als familie, maar als biograaf van kinderboekenillustratrice Mance Post. Nadat in oktober 2022 Het souterrain van Mance Post was verschenen, ontdekte ik via een tipgever wat ze verzweeg. Post, die op haar achttiende bij het verzet ging, was drie jaar eerder kort lid geweest van de Jeugdstorm, de jeugdafdeling van de NSB.
Stel dat het klopte, wat had ik dan nog meer over het hoofd gezien? Aangezien Post onmogelijk op eigen houtje kon hebben gehandeld, ging ik ook op zoek naar informatie over familieleden. Wat volgde, was een speurtocht door het archief van de Bijzondere Rechtspleging, het rechtsapparaat dat al in de aanloop naar de bevrijding was opgetuigd om zo veel mogelijk collaborerende Nederlanders op te sporen en te straffen. Overigens werd het overgrote deel van de zaken geseponeerd wegens gebrek aan bewijs en aan mankracht. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR, ondergebracht in het Nationaal Archief in Den Haag) is nu nog beperkt openbaar. Wie een dossier wil inzien van iemand geboren na 1923, moet aantonen dat de persoon is overleden. Gaandeweg werd me duidelijk dat je, om Mance te begrijpen, niet om dit deel van haar verleden heen kunt. Maar ook: hoe vakkundig de familie dit deel van het verleden heeft afgedekt. En hoe moeilijk het gesprek daarover is (zie kader).
Over de auteur
Truska Bast is journalist en schrijver. Haar biografie Het souterrain van Mance Post verscheen eind vorig jaar.
Toch is het verhaal van de familie Post niets bijzonders, verzekert historica Puck Huitsing, verbonden aan het project ‘Oorlog voor de rechter’, de naam waaronder de collaboratiedossiers worden gedigitaliseerd. ‘Dit speelt in heel veel Nederlandse families. Ga maar na: 300 duizend dossiers op een bevolking van destijds acht miljoen. Iedereen kende wel iemand. Verzet, collaboratie, dwang; waar lag de grens? Hoe fout was fout? Daarmee praat ik de keuzen niet goed. Waar het om gaat is: gooi het nu eens open, vertel het verhaal, voer dat debat. Niet om meer begrip te kweken voor daders, maar om te laten zien: wat betekent dat, collaboratie?’
Daarvoor is het nodig keuzen van weleer goed in hun tijd te zien, betoogt Huitsing. ‘Wíj weten hoe het is afgelopen, de mensen toen niet. In 1940, 1941 was er nog niet zo veel aan de hand. Veel mensen dachten: het valt wel mee. Dat maakt het begrijpelijker dat zij zich aanpasten aan de bezetter. Er was een enorme recessie in de jaren dertig. Velen hadden het gevoel: dit systeem laat ons barsten. Hitlers nadruk op orde, regelmaat, discipline klonk niet zo slecht.’
Eerst nog even over Mance Post (1925-2013), de Amsterdamse kinderboekenillustratrice die vooral bekend werd door haar tekeningen in de boeken van Guus Kuijer en Toon Tellegen. In 2007 werd ze onderscheiden met de Max Velthuijs Prijs. Post was een eigenzinnige vrouw, overtuigd sociaal-democraat, met een uitgesproken afkeer van hiërarchie en machtsvertoon. De jaarlijkse ontgroening van studenten, even verderop bij haar aan de gracht, verdroeg ze slecht. De Tweede Wereldoorlog was haar ijkpunt. Iedereen wist dat ze door de Sicherheitsdienst was opgepakt en gevangengezet. Over haar bijdrage aan de illegaliteit was ze bescheiden. Ze hielp bij de verzorging van Joodse onderduikers, vertelde ze. En in de maanden dat tekenleraar Piet Klaasse bij haar en haar moeder zat ondergedoken, bracht zij zijn spotprenten naar het illegale Vrij Nederland. Ze was bovendien niet de enige in haar familie die zich ‘een goede vaderlander’ had getoond. Haar vier jaar jongere broer hielp bij illegale voedseltransporten, ook haar moeder had veel voor anderen betekend.
Toen ik, een week nadat mijn boek uit was, hoorde dat Post bij de Nationale Jeugdstorm had gezeten, meende ik even dat er een misverstand moest zijn. Tot ik in het CABR Posts lidmaatschapskaart in handen hield. Op 9 november 1940, ze was toen 15, werd ze ‘voorlopig lid’. Tweeënhalf jaar na de bevrijding werd ze door de Politieke Recherche ondervraagd, zoals iedereen die op de lijst van een verboden organisatie had gestaan. Ze was vier à vijf weken lid geweest, verklaarde ze, en had spijt van haar keuze. Ze had alles gedaan om het goed te maken door bij het verzet te gaan. Het werd haar kennelijk niet aangerekend; de Jeugdofficier liet de zaak rusten.
Ook van Posts moeder is een CABR-dossier. Ze blijkt van oktober 1942 tot juni 1944 lid te zijn geweest van de Nederlandse Volksdienst (NVD), eveneens verboden. Via de NVD probeerde de bezetter maatschappelijk werk te ‘nazificeren’ door uitsluitend hulp aan ariërs te verlenen. De commandant van Schiphol, bij moeder Post ingekwartierd, schreef in de zomer van 1943 een briefje waarin hij de pro-Duitse houding van de familie roemde. De beschuldiging aan het adres van Posts moeder is kennelijk te onbeduidend, want ook deze zaak wordt geseponeerd.
Het geldt eveneens voor de verdenking tegen een oudere zus van Post. Ze trouwde in augustus 1940, dus na de capitulatie, met een in Nederland woonachtige ‘Rijksduitser’ en verloor daardoor haar Nederlandse paspoort. Dat de Duitser, Posts zwager, in verschillende dossierstukken een ‘fel nationaal-socialist’ wordt genoemd, plaatst niet alleen het huwelijk in een ander daglicht; ook Posts toetreding tot de Jeugdstorm, drie maanden later, is er niet los van te zien, zal later blijken. Het bedrijf waarvan de Duitser mede-eigenaar was, blijkt tijdens de oorlog onteigende, Joodse bedrijven te hebben opgeslokt. In november 1942 verhuisde het echtpaar naar Bussum. Dat het huis dat ze daar kochten geroofd Joods bezit was, moet Posts zus hebben geweten, al was het maar omdat de hele buurt dat wist.
Er is nog iemand van wie het handelen tijdens de oorlog grote consequenties had voor Mance Post: een andere zwager, laten we hem Jansen noemen. Sinds de dood van Posts vader, in 1939, had hij de leiding over diens schildersbedrijf. Jansen, korte tijd lid van de NSB, collaboreerde de hele oorlog op grote schaal, door onder meer camouflage aan te brengen op vliegvelden, stellingen en uitkijkposten. Dankzij de Duitse orders, goed voor 80 procent van de omzet, breidde het bedrijf uit van 25 naar honderd arbeiders. Jansen werd veroordeeld tot vijf dagen gevangenisstraf en een gedeeltelijke ‘verbeurdverklaring’ van zijn vermogen. Het werd hem aangerekend dat hij nog altijd niet erkende de vijand ‘in belangrijke mate’ te hebben geholpen.
Dat de straf mild uitviel, kwam doordat Jansen ook goede dingen had gedaan. Toen hij werd opgepakt, in eerste instantie alleen vanwege vermeend NSB-lidmaatschap, sprongen leden van verzetsgroep Frans II voor hem in de bres. Jansen lid van de NSB? Onmogelijk, betoogden ze. Hij stelde zijn kantoor aan het Singel in Amsterdam voor hen beschikbaar, reed naar Friesland om voedsel voor de illegaliteit te halen. Doordat hij voor de Duitsers werkte, ‘zoals vrijwel alle firma’s’, aldus een lid van de verzetsgroep, behield Jansen zijn wagenpark en kon hij hen helpen. Maar Jansen was wel degelijk (kort) NSB-lid. En dat de bezetter hem dwong werk uit te voeren, zoals hij beweerde, klopte niet. Jansen zocht zijn opdrachtgever actief op, had Duits briefpapier, adverteerde in de Duitstalige krant in Nederland, was in cafés gezien met Duitse officieren. Was hij dan een nazi? Nee, hij handelde puur uit winstbejag, zoals ook een getuige concludeerde.
Wat de zaak extra pijnlijk maakt, is dat Jansen grote sommen geld in eigen zak stak. Hij heeft daarmee ook Mance Post, en mogelijk zelfs haar loopbaan als illustratrice, gedupeerd. Begin 1946 bleek dat het bedrijf in zwaar weer zat. Het bedrijfskapitaal was grotendeels verdampt, er was een flinke belastingschuld. Moeder Post liet haar schoonzoon, die met zijn jonge gezin twee deuren verderop woonde, op staande voet ontslaan. Een accountantsbureau constateerde dat de ‘vooraanstaande positie van schildersbedrijf Post door wanbeheer en het zich uitsluitend toeleggen op het uitvoeren van Duitse opdrachten geheel verloren is gegaan’. Het was precies in de tijd dat Post, die in september 1945 aan de prestigieuze Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag was begonnen, met haar opleiding stopte. Ze had heimwee naar Amsterdam, zei ze. Maar een monografie over haar stipte ook geldproblemen aan – en die waren er te over nadat haar zwager het bedrijf van haar vader te gronde had gericht.
Voor dit artikel zijn de kinderen benaderd van Posts twee oudere zussen en haar jongere broer; zelf bleef ze kinderloos. Voor de kinderen van haar broer, die van niets wisten, is de inhoud van de dossiers een schok. Zij reageren gelaten: ‘Het is zoals het is.’ Posts zus die getrouwd was met een Duitser en na diens dood (in 1946) hertrouwde, kreeg veel later een zoon. Ook voor hem komt de informatie onverwacht; hij heeft zijn moeder nooit naar de oorlog of haar eerste huwelijk gevraagd. Hij had dit verhaal liever niet gekend, en ziet het belang voor de biografie noch het maatschappelijk belang ervan in. Nazaten van een andere zwager (we noemen hem in dit artikel Source: Volkskrant