Het is druk in de rij voor de miniachtbaan. Een slinger van kinderen en ouders beweegt langzaam in S-vorm om een afzetting heen. Die afzetting behelst niet veel meer dan een dik touw dat tussen een paar houten palen in hangt. Een meisje van een jaar of 4 met donkerbruin haar en hemelsblauwe ogen zit op dat touw en schommelt heen en weer. Ik heb een vermoeden dat ze Jaimy heet. Vooral omdat er pal naast mij, net buiten het hek, een vrouw staat die nu al zeker een halve minuut probeert het meisje te laten stoppen met schommelen. ‘Jaimy! Stop! Jaimy! Niet doen! Niet doen Jaimy!’ De vrouw is iets jonger dan ik, dikke krullen haar in dezelfde kleur als die van haar dochter bungelen langs haar gezicht. ‘Jaimy’, roept ze weer, ‘niet doen!’ Elke Jaimy duwt tegen mijn trommelvliezen, zoals een bot en verroest stanleymes dat zou doen. ‘Jaimy! Stop!’
En? Zou Jaimy stoppen? Nee, natuurlijk stopt Jaimy niet. Jaimy heeft schijt. Jaimy schommelt lekker door. En geef Jaimy eens ongelijk. Dat bungelende touw vraagt erom en bovendien zijn er ook andere kindjes die het doen. Zo gevaarlijk is het ook niet, het touw hangt redelijk laag bij de grond en die grond bestaat uit houten vlonders. Dat is niet per se zacht materiaal, maar ook zeker geen gewapend beton.
‘JAIMY NIET DOEN!’
Even overweeg ik om naar Jaimy toe te lopen en te zeggen dat ze moet stoppen, in godsnaam. Maar ik betwijfel of haar moeder de soort moeder is die het kan waarderen als iemand anders haar kind corrigeert. Bovendien, volgens mij is het probleem niet dat Jaimy haar moeder niet hoort. Waarom zou ze wel naar mij luisteren? Nog meer vragen: zou ik tinnitus aan Jaimy kunnen overhouden? En waarom had haar moeder niet gewoon, net als andere ouders, samen met haar kind in de rij voor deze klote-miniachtbaan kunnen gaan staan?
De moeder van Jaimy zucht. ‘Verschrikkelijk’, zegt ze, tegen niemand in het bijzonder, maar in feite tegen mij omdat ik ín haar mond sta. ‘Het heeft geen zin’, zeg ik, ‘ze luisteren toch niet.’ Met dat ze doe ik alsof ik iets algemeens over alle kinderen zeg en ach wat zijn ze toch lekker eigenwijs hè en we zitten allemaal in hetzelfde schuitje haha.
Maar eigenlijk probeer ik te zeggen dat zij gewoon even naar haar dochter toe moet lopen en als dat te veel gevraagd is, dan in ieder geval te stoppen met roepen en het lot op zijn beloop te laten. ‘Ja’, antwoordt ze op een toon alsof ik niet snap wat hier allemaal aan de hand is, ‘maar anders valt ze op haar achterhoofd.’ Nou, misschien is dat dus precies wat er moet gebeuren. Dat wil ik zeggen. Maar ik durf het niet.
Source: Volkskrant