Het risico van het nieuwe Stabiliteitspact is dat de ene papieren werkelijkheid wordt ingeruild voor een andere. En dat er nog steeds niet wordt gehandhaafd.
Het streven naar begrotingsdiscipline is een van Nederlands oudste politieke tradities. Sinds de invoering van het ‘structureel begrotingsbeleid’ in 1960 door minister Zijlstra van Financiën, koesterden hij en zijn vele opvolgers hun rol van Odysseus op zijn tocht langs de Sirenen: wetende dat politici van nature de neiging hebben om toe te geven aan de lokroep van ongeduldige kiezers, kun je je als schatkistbewaarder maar beter vastbinden aan de vooraf gemaakte begrotingsafspraken.
Dat voorkomt voortdurend politiek geruzie over de begrotingsruimte, maar ook maakt het de overheid voorspelbaarder en weerbaarder in tijden van nood. Recentelijk nog werd het derde kabinet Rutte beloond voor de discipline van de voorgaande ploeg: er bleek ruimte te zijn om gedurende twee jaar ruim 37 miljard euro aan coronasteun uit te geven zonder dat de overheid daardoor zelf in financieel zwaar weer belandde.
Geen wonder dat Nederland altijd aan de zijde van het strikte Duitsland stond als op Europees niveau over de begrotingsdiscipline werd getwist. Stónd, want sinds kort is dat niet meer vanzelfsprekend. De Duitse dreiging om het voorstel van de Europese Commissie voor een nieuw Stabiliteitspact te blokkeren is nu in de ogen van minister Kaag een zorgwekkende ontwikkeling. Daarmee lijkt Duitsland in dit permanente debat opeens z’n belangrijkste steunpilaar te verliezen.
Dat Kaag evenals de Europese Commissie streeft naar een nieuw pact is logisch, aangezien het huidige alleen op papier bestaat. Om een solide fundament onder de gemeenschappelijke munt te leggen, geldt sinds 1997 de afspraak dat de eurolanden hun begrotingstekorten en hun staatsschuld beperken. Vrijwel meteen werd daartegen grotelijks gezondigd, en vrijwel meteen bleek dat van de afgesproken sancties niets terechtkwam. Met name in de zuidelijke eurolanden liep de schuld op tot soms wel drie keer de norm. Een poging om hen snel weer in de pas te laten lopen is kansloos zonder enorme bezuinigingen en de bijkomende schade aan de economie en de samenleving.
De Europese Commissie probeert het pact dan ook vooral weer wat in lijn te brengen met de nieuwe realiteit, die ook enorme investeringen vergt in groene energie en defensie. Begrotingsdiscipline en schuldreductie blijven de ankers, maar landen krijgen meer tijd voor de aflossing en meer grip op hun eigen aanpak. De sancties bij niet-naleving worden minder zwaar dan nu.
En hoe logisch dat allemaal ook klinkt, er is één adder onder het gras: wie zegt dat de ene papieren werkelijkheid niet wordt ingeruild voor de andere? Het huidige strenge pact leidt in elk geval nog tot voortdurende politieke druk vanuit Brussel op de hoofdsteden. Het risico van een soepeler pact is dat de druk afneemt en dat er na overtreding nog steeds niet wordt gehandhaafd. Dan kan versoepeling van de discipline op termijn leiden tot meer instabiliteit en grote schade aan de overheidsfinanciën.
Dat scenario zou niet alleen in Berlijn maar ook in Den Haag zorg moeten wekken. En zolang er nog geen in marmer gebeitelde afspraken zijn over effectief toezicht op het nieuwe pact, zou Kaag zich daarop moeten concentreren en juist ook daarvoor de steun van de Duitsers moeten zoeken.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Source: Volkskrant