Home

‘Alles was platgewalst, zwartgeblakerd, weggevaagd’

‘Tegen de avond van 13 mei 2000 ging mijn pieper: een spoedoproep van de Mobiele Eenheid. In Enschede had de ontploffing van een vuurwerkopslag een hele wijk weggevaagd. Met een compleet peloton ME’ers, zo’n vijftig man, gingen wij met vier ME-bussen, een commandowagen en een bus met logistieke middelen naar de rampplek om daar ’s nachts onze collega’s af te lossen, twaalf uur lang, drie opeenvolgende nachten.

‘Op de A1 zagen we al een dikke, zwarte rookkolom boven het oosten hangen. De brand was nog niet onder controle toen we ’s avonds aankwamen. In het epicentrum kwamen we in een oorlogssituatie terecht. Alles was platgewalst, weggevaagd. Huizen waren tot op het fundament vernietigd. Het was al donker, nergens brandde kunstlicht, maar in alle karkassen van huizen danste een metershoge vlam op de gesprongen gasleidingen. Overal was rook, het hele gebied was zwartgeblakerd. Er hing een indringende brandlucht. Een brandweerwagen lag op z’n zij, die was door de enorme klap gewoon opgetild en omgegooid. De politieauto van een hondengeleider was volledig uitgebrand, met de hond er nog in. We waren verbijsterd, we waren doodstil. Van de bravoure die je gewoonlijk in een ME-peloton ziet, was niets meer over.

‘Wij moesten het gebied hermetisch afsluiten omdat het er niet veilig was, en zorgen dat de hulpdiensten ongehinderd toegang hadden. ‘Sta er mild in’, had de pelotonscommandant gezegd. ‘Ga het gesprek met de bewoners aan, laat je gevoel meespelen.’ Hij waarschuwde ook dat er een bedrukte sfeer onder brandweermensen was, omdat een aantal collega’s van hen werd vermist, en er al twee levenloos waren gevonden.

‘Er was een lijst vermiste personen. Wij gingen minutieus meezoeken met het Rampen Identificatie Team, onze collega’s in witte pakken met een forensische opsporingsachtergrond die we er in het dagelijks politiewerk ook bijhalen om lichamen te identificeren.

‘We liepen daar zonder perslucht zoals de brandweer, we hadden niet eens een mondkapje. Ik kwam met een collega in een pand, of wat ervan over was, waar we brokken puin aan de kant schopten en ruimte voor ruimte doorzochten. Achter een zwartgeblakerde koelkast vonden we twee verbrande mensen, elkaar vasthoudend met de armen om elkaar heen, ter bescherming van de vuurzee die over hen heen was gegaan. Eerst schrik je je rot, maar dan schakel je je gevoel uit en doe je je werk. Je weet: de emotie komt later.

‘We riepen twee man van het Rampen Identificatie Team erbij. Een cameraman van het team ging voorop om foto’s te schieten van de situatie, gevolgd door een collega met een brancard en lijkzakken. Samen trokken ze voorzichtig die twee verstrengelde lichamen uit elkaar. Op dat moment zei een van hen: ‘Ach, nog eentje.’ Toen zagen we dat er ook nog een kind tussen zat. Echt gruwelijk. Al ben je nog zo door de wol geverfd, daar sta je wel even machteloos bij te kijken.

‘En dan ga je weer verder, naar het volgende huis. Op een andere locatie vonden we een ruggegraat. Je ziet op de grond iets liggen wat je herkent als een menselijke wervelkolom. Daar heeft dus een mens gelegen die zodanig is verbrand dat er vrijwel niets meer van over is. Twee leden van het identificatieteam probeerden met een schepje die ruggewervels in een lijkzak te doen, zodat er toch iets te begraven valt, iets om afscheid van te nemen. Maar zodra ze het aanraakten, viel het helemaal uiteen in een hoopje zand, het verpulverde tot stof. ‘Shit’, zei die collega met dat schepje. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Shit.’

‘Buiten zaten collega’s op de rand van een stoepje te huilen. Tot drie keer toe zag ik huilende collega’s. Ook dat vergeet je nooit meer. Sommige beelden blijven je hele leven bij je.

‘Ik werk 39 jaar bij de politie en kan de doden niet meer tellen, ik ben de tel kwijt. Dit is ons dagelijks werk: doden, verhangingen, mensen die voor de trein springen waar bijna niets van over is. Hoeveel kan een mens verdragen?

‘Sinds een paar jaar ben ik teamchef. Ik voel me soms een soort vaderfiguur voor de twintigers die nu binnenkomen, de straat opgaan en tegen dit soort schokkende dingen aanlopen. Ik weet tot in detail waar ze doorheen gaan, ik heb daar zelf ook gestaan. Daarom probeer ik als leidinggevende veel aandacht te geven aan de mens achter de politieman of -vrouw. Even praten. Even bellen: ‘Hoe gaat het?’

‘Ik ben geen open boek, ik heb een gesloten karakter. Ik vertel thuis aan mijn vrouw lang niet alles, ook om haar niet te belasten. Vaak vraag ik me af: hoe komt het dat de ene collega staande blijft, en de ander ineens knapt? En waarom sta ik nog overeind? Ik weet het niet. Ik weet het écht niet.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next