Op een zonovergoten Penny Lane in Liverpool haalt Laura Garnell een herinnering aan The Beatles op. ‘Mijn meisjesnaam is Harrison’, zegt de 70-jarige weduwe, nippend aan een glas wijn op het terras van een 200 jaar oude herberg, ‘en bij ons om de hoek, in de wijk Speke, woonde George Harrison. Het gevolg was dat we vaak werden gebeld door verliefde meisjes die op zoek waren naar de knappe Beatle. Mijn vader deed altijd alsof hij George was. We luisterden mee en lagen vaak dubbel van het lachen.’
De gepensioneerde kapster vertelt dat ze elke dag een lange wandeling door Liverpool maakt, om het verlies van haar man te verwerken. Tijdens haar trektochten ziet ze hoe haar stad zich opmaakt voor het Eurovisiesongfestival, het muziekfeest dat de bekroning moet worden van een ingrijpende metamorfose van de stad, die drie decennia heeft geduurd. Het dieptepunt bereikte de havenstad aan de oever van de Mersey in de jaren tachtig, toen die synoniem werd van verval en verpaupering. De regering van Margaret Thatcher had de hoop zo goed als opgegeven voor de stad.
Over de auteur
Patrick van IJzendoorn is correspondent in Groot-Brittannië en Ierland voor de Volkskrant. Hij woont sinds 2003 in Londen en schreef meerdere boeken, waaronder over de Brexit.
Garnell had indertijd een kapsalon, waarvan de ruiten sneuvelden tijdens de volksopstand in de verarmde wijk Toxteth, aan het begin van dat decennium. ‘Dat waren zware tijden voor ons allemaal. Heel Liverpool leed in die tijd. Maar de inwoners toonden een enorme veerkracht.’ Voor haar vormden die jaren het begin van een nieuwe fase in haar leven. ‘Mijn George kwam in die tijd eens in de drie maanden langs voor een knipbeurt, wanneer hij op verlof was van zijn baggerwerkzaamheden in het buitenland, langzaam groeiden we naar elkaar toe.’
De toevallige ontmoeting op Penny Lane doet denken aan het reisadvies van James Worthy, auteur van het boek Liverpool, een warme ode aan de stad van zijn overleden vader. ‘Mensen die Liverpool willen bezoeken’, aldus de Amsterdamse Liverpudlian, ‘vragen vaak aan mij welke plekken ze moeten aandoen, maar Liverpool draait niet om plekken. De grootste trekpleister van de stad zijn de inwoners ervan. Stap een kroeg binnen en maak een praatje met de vrouw die achter de bar staat. Parijs heeft de Eiffeltoren, Liverpool heeft mensen.’
En schrik vooral niet van het dialect, voegt hij eraan toe. ‘Het is maar een dialect.’ Dat is wat bescheiden. Scouse is het herkenbaarste dialect op de Britse eilanden. In zijn boek omschrijft Worthy het als het geluid van ‘een jazztrompetist die zichzelf in een container heeft opgesloten.’ De Scousers, de geuzennaam van de Liverpudlians, hebben een geheel eigen vocabulaire, met woorden en termen als ‘disavvy’ (deze middag), ‘kecks’ (broeken), ‘antwacky’ (ouderwets), ‘hossie’ (ziekenhuis), ‘am’orite’ (het gaat goed met me), ‘dead’ (heel) en ‘Chrimbo’ (Kerstmis).
Het woord Scouse komt van ‘labskaus’, het Deens voor een zeemansgerecht dat deels bestaat uit vleesrestanten. Scouse typeert de smeltkoes die deze wat afgelegen havenstad aan de Ierse Zee van oudsher is. Zo heeft de stad de oudste Chinatown op de Britse eilanden en heeft het merendeel van de inwoners Ierse wortels. Door de Ierse vlaggen die wapperen bij de talrijke kroegen met namen als The Liffey, The Celtic Corner en Lanigans heeft Liverpool meer weg van de Ierse hoofdstad Dublin dan van de Britse hoofdstad Londen. De tentvormige kathedraal van de katholieken heet in de volksmond Paddy’s Wigwam.
Volgens de plaatselijke schrijver en muziekproducent Kevin Sampson heeft de toestroom van buitenaf bijgedragen aan de levendige muziekcultuur van Liverpool. ‘De grote Ierse invloed, alsmede de Nigeriaanse en die uit de de Caraïben hebben ermee te maken. Neem iemand als Lord Woodbine, die met het bekende immigrantenschip Windrush na de oorlog uit Trinidad in Londen was gearriveerd en calypso naar Liverpool bracht. Dat genre is van invloed geweest op The Beatles. Daar komt bij dat Liverpool als havenstad altijd een levendige feestcultuur heeft gehad. Muziek maken, zo vertelt Sampson, groeide uit tot een manier van leven.
Dat is ook de ervaring van Paul Skillen, popmuzikant, musicoloog en schrijver van Scouse Pop. In een pizzeria vertelt de 62-jarige Liverpudlian, die aan de overkant van de Mersey opgroeide, hoe hij als scholier in de jaren zeventig dagelijks achter de beslagen ramen en in de sigarettenrook tussen de arbeiders in bus 50A zat. ‘Soms begonnen passagiers spontaan Beatles-nummers te zingen. In andere steden gebeurde dat vroeger ook, maar in Liverpool ging het een stuk langer door.’
Maar met het sluiten van de fabrieken in de jaren zeventig en tachtig verdween deze traditie. In 1973 waren ook al de deuren gesloten van The Cavern, de nachtclub aan Matthew Street waar The Beatles twaalf jaar eerder voor het eerst optraden. ‘Liverpool ging van beat-stad naar beaten stad,’ zegt Skillen, ‘het groeide uit tot het lachertje van het land. Ken je die sketch in de satirische tv-show Spitting Image waarin het land wordt neergezet als het huis van Margaret Thatcher? Liverpool was haar plee. Zo zag men ons Scousers.’
Als recensent voor Merseysounds maakte Skillen tussen het puin van de jaren tachtig een muziekrevolutie mee. ‘Het epicentrum was Eric’s, gelegen tegenover de plek waar The Cavern ooit stond. Daar kregen jonge bands de ruimte. Eind jaren zeventig zag ik er een bandje uit Dublin. Ik vond er niet veel aan. Het was U2. Na de optimistische sixties met The Beatles en Gerry and the Pacemakers kende Liverpool een nieuwe muziekgolf. Frustratie over de omstandigheden bleek een goede voedingsbodem te zijn. Uit geldgebrek deelden bands hun instrumenten.’
Alle grote steden hebben een muziekcultuur. Manchester stond bekend om de New Wave, Londen had de punk en Birmingham de reggae. ‘Uniek aan Liverpool’, zegt Skillen,’ is dat bands vooral niet op elkaar willen lijken. Echo and the Bunnyman is anders dan China Crisis, Orchestral Manoeuvres in the Dark lijkt in niets op Frankie Goes to Hollywood. Die laatste band was typisch Liverpool in hun radicalisme en decadentie. George Michael zat nog in de kast toen Holly Johnson zijn homoseksualiteit al openlijk toonde.’
De andere uitlaatklep was voetbal. Terwijl popgroepen als Frankie Goes to Hollywood hitparades bestormden, heersten Liverpool en Everton in het voetbal. Er heeft hier altijd een hechte band bestaan tussen muziek en voetbal. Symbool daarvan is het You’ll Never Walk Alone, dat onlosmakelijk verbonden is met de supporters van Liverpool. Ze zingen het lied, dat na de oorlog ontstaan is op Broadway en in de jaren zestig is gepopulariseerd door Gerry and the Pacemakers, zo mooi dat Pink Floyd hun gezang zou verwerken in het nummer Fearless.
Zingen, zo zegt schrijver Kevin Sampson, zit hier in het bloed. ‘Het is zo vaak voorgekomen dat ik op de tribune zat, of in een supportersbus, dat iemand iets nieuws begint te zingen en je meteen beseft dat het aanslaat. Het heeft iets grappigs, iets gevats... Ik kan me nog goed de regels herinneren die bedacht werden op weg naar onze eerste Europese bekerfinale, eind jaren zeventig. ‘We’re on our way to Roma / On the 25th of May / Vatican bells will be ringing / All the Kopites will be singing / When we win the European Cup’. Liverpudlians zijn natuurlijke komieken en tekstschrijvers.’
Met de introductie van het energieke ‘hardrock football’ was de Duitser Jurgen Klopp dan ook een ideale manager voor Liverpool. Kapster Laura Garnell herinnert zich het moment waarop haar echtgenoot George, kort voor zijn dood, Klopp zag lopen in een stadspark. ‘Hij liep op Klopp af. Tilde hem op en riep: ‘Jurgen! Jurgen! We hebben Chelsea verslagen. Dank je!’’ Hoewel hij een grote fan was, ging George al sinds de Hillsborough-ramp niet meer naar voetbalstadions. In 1989 brak in het Hillsborough-stadion paniek uit onder supporters, met een stormloop en 97 doden tot gevolg. Zijn twee zoons waren nipt aan de dood ontsnapt.
Decennialang moesten de nabestaanden vechten voor rechtvaardigheid nadat de autoriteiten, daarbij gesteund door tabloid The Sun, de schuld bij de fans zelf hadden gelegd. Deze aantijgingen versterkten bij de Scousers de indruk dat de buitenwereld, Londen voorop, het gemunt had op de stad en haar inwoners die onder meer door de komiek Harry Enfield werden neergezet als ruziezoekers en dieven. Nog steeds is het vrijwel onmogelijk om in deze stad een exemplaar van The Sun te kopen.
Hoe diep de afkeer tegen de gevestigde orde is, bleek afgelopen seizoen bij de twee bekerfinales op Wembley. Waar fans van clubs uit steden als Londen, Newcastle en Manchester het volkslied luidkeels meezingen, hielden de Scousers een fluitconcert. Met You’ll Never Walk Alone, dat het idee van broederschap bevat, heeft de volksrepubliek Liverpool zijn eigen volkslied. ‘De meesten onder ons’, zei Liverpool-legende John Aldridge, ‘zien zichzelf als half-Iers. Ik heb vaak gezegd: als wij mogen stemmen om een deel van Ierland te worden, dan volgt er een overtuigend ja.’
De kroning van de nieuwe koning zal hier dan ook niet gepaard gaan met grote feesten. In de knusse pub Kavanagh’s zegt Daniel Egerton, de bedenker van de pubquizvragen, dat hij vorig jaar amper iets merkte van het platina-jubileum van Koningin Elizabeth. ‘Er gebeurde niets tijdens de ‘Platty Joobs’ behalve een bescheiden viering in d Source: Volkskrant