Home

Je kent elkaar eigenlijk niet, maar goed genoeg om op elkaars begrafenis te komen

De laatste keer dat ik Thijs zag, was ongeveer twee weken voor Koninginnedag. Hij zat met vier vrienden op een bankje in het park en had zijn arm om de jongen naast hem geslagen. Ik maakte een foto. Hij lacht breeduit op die foto. Het is een grote en tevreden grijns, die volmaakt samengaat met de wat ondeugende twinkeling in zijn ogen. Hij had een broek met wijde pijpen aan en in zijn vrije hand een glas wijn en een sigaret. Ik zette de foto op Facebook. Iemand reageerde: ‘Wijde pijpen Thijs? Echt?’

Mijn eerste herinneringen aan hem zweven ergens in Salou, vers van de middelbare school, rode kop door de Spaanse zon, schaterlachend. Mijn laatste is die foto. Ergens in de tussentijd raakten we bevriend. We waren geen goede vrienden, maar het soort vriend dat je wordt als je veel gezamenlijke vrienden hebt en elkaar de hele tijd tegenkomt. Het soort vriend dat je wat makkelijker maakt als je ergens halverwege de twintig bent, als je nog geen onderscheid wil of hoeft te maken tussen vrienden, goede kennissen en bekenden. Omdat tijd oneindig is en alles één groot feest en hoe meer zielen hoe meer vreugd. Je kent elkaar eigenlijk niet, maar goed genoeg om op elkaars begrafenis te komen.

Na zijn studietijd ging Thijs samenwonen met een goede vriend van me. In de jaren die volgden, leerde ik hem kennen als hartelijk, vrolijk, gul en warm. En knettergek. Hij had de hardnekkige wens om tijdens een van de talloze huisfeestjes die hij (al dan niet met medeweten van zijn huisgenoot) gaf, in zijn slaapkamer een stroboscoop neer te zetten, met daarnaast een grote speaker die non-stop het geluid van kinderlachjes zou afspelen. De slaapkamerdeur zou hij op slot doen. Iedereen die naar de wc ging zou langs die deur komen en zich afvragen wat voor nachtmerrie daar in hemelsnaam aan de gang was. Het glunderende gezicht waarmee hij me dit vertelde, zie ik nog steeds voor me. Het kwam er nooit van.

Ik kan niet zeggen dat ik hem mis. Daarvoor kende ik hem niet goed genoeg en waren onze levens te weinig met elkaar verweven. En ik zou graag zeggen dat onze vriendschap zich door had ontwikkeld tot een echte vriendschap. Waarschijnlijker is dat we elkaar de afgelopen twaalf jaar uit het oog waren verloren, zoals ik bijna al die vrienden die ons tot vrienden maakten uit het oog verloor. Maar het is gewoon zo zonde. Dat op 1 mei, de dag na Koninginnedag, laat in de ochtend mijn telefoon ging. En dat ik in de deuropening van mijn woonkamer stond. En dat aan de andere kant van de lijn de stem van een vriendin klonk. En dat zij vertelde dat Thijs die nacht uit een raam was gevallen. En dat was het dan. En dat went nooit.

Source: Volkskrant

Previous

Next