N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Oud-correspondent Israël Salomon Bouman moest als kind onderduiken voor de nazi’s en vestigde zich later als correspondent in Israël. Nu, bij het 75-jarige bestaan van Israël, vreest hij de annexatie van de Westelijke Jordaanoever. „Dat zou een ramp zijn.”
Op een dag in 1947 hoorde de toen tienjarige Salomon Bouman thuis in Amersfoort op de radio over de aanstaande stichting van een Joodse staat in het Midden-Oosten. „Daar ga ik naar toe, dacht ik meteen, dat is de enige plek op de wereld waar Joden echt veilig kunnen zijn”, vertelt hij ruim driekwart eeuw later op de bank in zijn zonovergoten huiskamer in Bilthoven. „De stichting van Israël was voor mij een soort bevrijding van verdriet. Het was een land waar je jezelf samen met andere Joden kon verdedigen en niet ondergeschikt was aan de vijand.”
Eenmaal volwassen bracht hij een kleine veertig jaar door als correspondent in Israël. Ook voor de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC) en later NRC Handelsblad schreef hij 37 jaar lang over het land, dat dit voorjaar zijn 75ste verjaardag viert. Bouman voelt zich er nog altijd meer thuis dan in Nederland, ondanks zijn diepe afkeer van de huidige Israëlische regering, de meest rechtse uit de geschiedenis van het land.
Salomon Bouman (1937) werd geboren in Amersfoort in een Joods gezin. Hoewel hij de Jodenvervolging overleefde werd zijn verdere leven bepaald door zijn oorlogservaringen. Na zijn studie ging hij de journalistiek in en werd correspondent in Israël, vooral voor NRC en AVRO. Hij schreef ook vier boeken. In Israël hoopte hij veiligheid en vrijheid voor Joden te vinden. Maar ook daar werd hij met meer geweld en zelfs oorlogen geconfronteerd dan hem lief was. Tot zijn verdriet raakt een Palestijnse staat naast de Joodse steeds verder uit zicht.
Bouman woont met zijn tweede vrouw in Bilthoven. Een zoon en dochter uit zijn eerste huwelijk zitten nog in Israël.
Zelf overleefden hij en zijn Joodse ouders de Duitse bezetting door net op tijd onder te duiken bij boeren in de Wieringermeer, in de kop van Noord-Holland. Zijn familie van zowel van moeders- als vaderskant werd grotendeels door de nazi’s vermoord. De jonge Mony, zoals Bouman in familiekring wordt genoemd, kroop herhaaldelijk door het oog van de naald.
Als jongetje belandde hij, gescheiden van zijn ouders, bij een kinderloos boerenechtpaar in het gehucht ’t Zand. Daar werden eind 1944 ook Duitse militairen ingekwartierd. Een van hen merkte het jongetje met zijn verdacht donkere krullen op en nam hem op zijn knie. „Du bist ein Jude”, zei hij meteen, tot Mony’s grote schrik. Zijn moeder had hem ingeprent nooit te vertellen dat hij Joods was. Bouman: „Het woord Jood was toen synoniem met de dood.”
Maar de soldaat liet hem vertrekken, waarna Bouman zich enige tijd verstopt hield. Later snapte de Duitser hem opnieuw en weer belandde hij op diens schoot. „Maar hij pakte uit zijn portefeuille foto’s van drie blonde meisjes en wees ‘Das ist meine Tochter, das ist meine Tochter und das ist meine Tochter, geh!’ Toen begreep ik dat hij geen kwaad wilde.”
Na de oorlog keerde het gezin Bouman terug in hun huis in Amersfoort, dat ze enige tijd moesten delen met een NSB-familie die daar na hun vertrek in was getrokken. In die periode kwamen er steeds nieuwe brieven van het Rode Kruis, die zonder uitzondering doodsberichten brachten. Dan weer een tante in Sobibor, dan weer een oom in Auschwitz. Het maakte een onuitwisbare indruk op de jonge Bouman. „Mijn Joodse identiteit is er ingebeukt door de nazi’s”, zegt hij.
„Mijn ouders waren door de oorlog gekwetste mensen geworden. Niet dat ze hun lijden op mijn broer, mijn zus en mij projecteerden, maar het was er wel. Mijn moeder praatte veel over haar omgekomen zusjes en haar ouders, terwijl mijn vader meer in stilte leed. Door dit alles was en is de Holocaust toch steeds het kompas van mijn leven.”
Hoewel zijn vader ook wel naar Israël had gewild, hield zijn moeder dat tegen. Begin jaren zestig bezocht Bouman, intussen student politieke wetenschap in Parijs, zelf voor het eerst het land, dat toen nog volop in opbouw verkeerde. Hij ging er enige tijd als vrijwilliger werken op een kibboets in het zuiden. „Ik vond het fantastisch. Zo’n kibboets is een heel bijzondere, ideologische samenleving, waar alles gemeenschappelijk bezit is. Je deed alles samen. Wat een interessant experiment!”
Behalve door de Holocaust en zijn vroege besluit zich in Israël te vestigen werd Boumans leven bepaald door een cadeau voor zijn bar mitswa, de ceremonie waarmee joodse jongens op hun dertiende volwassen worden verklaard. Bouman vroeg en kreeg een abonnement op de NRC. Al lezend nam hij het vaste besluit ook zelf journalist te worden. „Ik ben journalist geworden om de waarheid te zoeken en de diepere oorzaken van de vernietiging van de Joden te begrijpen. Zonder Holocaust zou ik misschien bioloog zijn geworden.”
Na zijn diensttijd en een korte aanloop in Nederland bij Het Parool vestigde Bouman zich medio jaren zestig dan toch echt in Israël, aanvankelijk vooral voor de AVRO en iets later ook voor NRC. Hij zat er nog niet lang toen de Zesdaagse Oorlog uitbrak, waarbij Israël slaags raakte met Egypte, Syrië en Jordanië.
Dat moet indruk op u hebben gemaakt, juist wegens uw motivatie om naar Israël te gaan?
„Ik was enorm opgelucht toen het me op de eerste dag van de oorlog, op 6 juni 1967, duidelijk werd dat Israël toen eigenlijk al had gewonnen. De vernietiging van de Egyptische luchtmacht op de vliegvelden in Egypte door Israëls Mirages betekende dat Israël, en ook ikzelf, aan vernietiging waren ontsnapt. Vooraf was ook ik besmet door de angstpsychose. Ik zag op het vliegveld dat in paniek verkerende Israeliërs er alles voor over hadden te vluchten. Maar toen Israël won, verdween die verlammende angst. Ik was blij en ook trots op Israëls wonderbaarlijke overwinning.”
En dat was een keerpunt?
„Dat was een cruciaal moment in de ontwikkeling van het land dat tot op heden doorwerkt. Israël had namelijk de westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem veroverd. Daarmee verwierf het ook de controle over de Tempelberg en de Klaagmuur, die tot dan toe voor Joden ontoegankelijk was geweest. Velen kregen zo het gevoel dat de eeuwenlange diaspora van de Joden plotseling ten einde was. De verwerkelijking van de droom van de zionisten, die streven naar een Joodse staat op het gebied van het Bijbelse Israël inclusief Judea en Samaria [de Westelijke Jordaanoever, red.], kwam erdoor binnen bereik. Als journalist en seculiere Jood had ik zulke emoties niet. Maar ik begreep meteen dat het een diep effect op de Israëlische samenleving zou hebben.”
Ook voor de Palestijnen een nieuwe schok?
„Voor mij persoonlijk stond vanaf het begin vast dat Israël zich juist moest inzetten voor een Palestijnse staat. Ik vreesde in 1967 al dat de bezetting van de Palestijnse gebieden zou ontaarden in kolonisatie door Israël. Nu zijn er ruim een half miljoen Joodse kolonisten in bezet gebied, zodat het ondenkbaar is dat er nog een homogene Palestijnse staat kan ontstaan. De Palestijnse onafhankelijkheidsdroom gaat langzaam maar zeker in rook op. Dat is, als Holocaust-overlevende, strijdig met mijn geweten.”
U heeft zelfs weleens geschreven dat Israël eigenlijk niet kan voortbestaan zonder een bevredigende regeling voor de Palestijnen.
„Daarmee bedoel ik niet dat Israël anders van de kaart verdwijnt, maar het is op langere termijn van essentieel belang voor Israëls veiligheid dat er een oplossing komt. Helaas worden de obstakels daarvoor groter. Rechts in Israël denkt nu eerder aan annexatie van de Westelijke Jordaanoever, maar dat zou een ramp voor Israël zijn. Dat zou waarschijnlijk ook tot het instorten leiden van de contacten met de Arabische wereld van de laatste jaren.”
De bezetting van de Palestijnse gebieden had ook zijn weerslag op Boumans persoonlijke leven en dat van Willy Werkman, de Nederlandse journaliste met wie hij inmiddels was getrouwd. Ze kregen een zoon en een dochter, die beiden in militaire dienst moesten. Het leidde tot een heftige crisis in hun leven.
„Ik zag die dienstplicht van onze kinderen als een uitvloeisel van mijn besluit om naar Israël te gaan en heb dat aanvaard. Maar Willy kon niet accepteren dat onze toen achttienjarige zoon Dan in een pilotenopleiding terechtkwam, terwijl hijzelf dat juist geweldig vond. Willy kwam uit een verzetsfamilie en wilde niet dat onze zoon zou bijdragen aan de onderdrukking in de bezette gebieden. Bij een bezoek aan de luchtmachtbasis waar hij zat, moest ze zich identificeren. Expres liet ze haar buitenlandse perskaart zien. Meteen werd Dan uit de opleiding gezet, want de militairen wilden niet dat de geheimen van de Israëlische luchtmacht bij buitenlandse journalisten belandden.”
De meningsverschillen over de dienstplicht leidden tot hevige ruzie en droegen ertoe bij dat het huwelijk van de twee correspondenten eindigde. „Het was een dieptepunt”, zegt Bouman, terwijl hij Easy, het hondje dat naast hem op de bank is gesprongen, streelt. Met een wrange glimlach voegt hij eraan toe: „Inmiddels zit mijn kleindochter ook in het leger, ze helpt nederzettingen in bezet gebied bewaken.”
Hoe komt het dat de seculieren in Israël zoveel terrein hebben verloren?
„Het is niet alleen een kwestie van gelovig of niet. De ultra-orthodoxe j Source: NRC