Onderhand klinkt het als een grijs gedraaide grammofoonplaat: de meeste Nederlanders waren wel héél meegaand tijdens de Duitse bezetting. Voor onversneden heldendom is in de geschiedschrijving nauwelijks nog plaats, vreest Sander van Walsum.
Daar keek Rick Nieman, presentator van het praatprogramma WNL op zondag, tijdens de uitzending van 2 april wel van op: dat zo’n half miljoen Nederlanders in 1943 met een staking hun ongenoegen kenbaar hebben gemaakt over het besluit van de Duitse autoriteiten om Nederlandse militairen alsnog in krijgsgevangenschap af te voeren. Nooit hebben zoveel Nederlanders het werk neergelegd. Nooit liepen ze daarbij zoveel gevaar, want de Duitsers beantwoordden het protest met de invoering van het standrecht – als gevolg waarvan zo’n tweehonderd mensen het leven verloren. En buiten Nederland is nergens in bezet Europa op deze manier en op deze schaal oppositie bedreven.
Toch zullen de meeste Nederlanders glazig kijken als de zogenoemde April-meistakingen van 1943 ter sprake komen (een vrijwel hypothetisch geval). Zo ook Rick Nieman. Hoe zou het toch komen dat deze episode zó weinig bekendheid geniet, vroeg hij aan actrice Johanna ter Steege die in WNL op zondag kwam vertellen over het ‘theaterspektakel’ De vergeten lente van Twente, waarin de gebeurtenissen van 1943 aan de orde komen. Ter Steege wist het ook niet.
Het zou wel te maken hebben met het feit dat de stakingen overwegend buiten de Randstad hebben plaatsgevonden, vermoedde zij. Of met het feit dat de Nederlanders na de oorlog meer met de toekomst dan met het verleden bezig waren. Maar een meer waarschijnlijke reden bleef ongenoemd: dat de ‘geschiedschrijving in grijstinten’ dermate naar de donkergrijze kant is doorgeslagen, dat verzet stelselmatig wordt verzwegen of gerelativeerd.
Over de auteur
Sander van Walsum is verslaggever en commentator voor de Volkskrant. Ook recenseert hij non-fictie. Eerder was Van Walsum correspondent in Berlijn.
In twee onlangs uitgezonden tv-documentaires – deel 10 van de serie Het verhaal van Nederland, en Gaat dit over ons? (over de Nederlandse herdenkingscultuur) – werden de vaste onderdelen van de gangbare oorlogshistoriografie geroutineerd opgedist; dat koningin Wilhelmina vóór de oorlog bezwaar maakte tegen de vestiging van een opvangkamp voor Joodse vluchtelingen in de nabijheid van paleis Het Loo; dat verreweg de meeste ambtenaren in de nazomer van 1940 desgevraagd de zogenoemde ariërverklaring hebben ondertekend; dat de Nederlandse economie in de eerste oorlogsjaren uitbundig bloeide; dat in geen ander bezet land zoveel Joden (als percentage van de bevolking) zijn vermoord; dat de Duitse autoriteiten zich vergenoegd toonden over de medewerking die Nederlandse instanties (waaronder de spoorwegen) hun boden; dat het verzet in een betrekkelijk laat stadium van de bezetting tot ontwikkeling kwam en maar zelden met wapens werd bedreven; dat Holocaustoverlevenden op ambtelijke starheid en een sluimerend antisemitisme stuitten; en dat het eerste naoorlogse monument dat aan de Jodenvervolging herinnerde niet aan de slachtoffers was opgedragen, maar aan de Nederlanders die hun onderdak hadden geboden.
Zeker: de Nederlanders waren tijdens de bezetting niet het ‘heldenvolk’ waarvoor koningin Wilhelmina hen hield. Haar achterkleinzoon, de huidige koning, herinnerde daar bij de nationale dodenherdenking van 2020 nog aan. Maar het is nu ook weer niet zo dat ze collectief tot afzijdigheid (of erger) waren geneigd. Zo is veel af te dingen op de suggestie in Het verhaal van Nederland – verteld door acteur Daan Schuurmans – dat de meeste mensen hun vervolgde Joodse landgenoten geen onderdak wilden bieden.
Dat was in elk geval niet de ervaring van de Utrechtse verzetsvrouw Hetty Voûte, die tijdens de bezetting talrijke Joodse kinderen in veiligheid heeft gebracht. Tijdens een interview dat ik in 1994 (vijf jaar voor haar overlijden) met haar had, stelde ik de (voor de hand liggende) vraag of ze vaak nul op het rekest kreeg van mensen op wie zij een beroep deed. ‘Hoogst zelden’, luidde het stellige antwoord. Eerst wist Voûte de kinderen eenvoudig onder te brengen bij familie, vrienden en kennissen. Toen dit reservoir was uitgeput, wendde zij zich tot vage bekenden, en uiteindelijk tot volslagen vreemden. Vrijwel iedereen die ze benaderde, was haar ter wille.
In Enschede bracht de gereformeerde predikant Leendert Overduin zelfs Joden (voor korte tijd) onder bij NSB’ers. ‘Als je mensen voor een simpele morele keuze stelt, doen zij meestal het goede’, was zijn ervaring. Tot de ‘rechtvaardigen onder de volkeren’ die in het Yad Vashem in Jeruzalem worden geëerd (mensen die met gevaar voor eigen leven Joden hebben gered) behoren relatief veel Nederlanders.
Vier organisaties die uit het voormalig verzet zijn voortgekomen, hadden dan ook goede redenen om bij de NTR bezwaar te maken tegen ‘het eenzijdige beeld’ dat in Het verhaal van Nederland van de Duitse bezetting wordt geschetst. Ze herinnerden geadresseerde eraan dat zo’n 350 duizend mensen (onder wie 28 duizend Joden) hebben kunnen onderduiken, en dat ‘een vele malen groter aantal zich er actief voor inzette hen van onderduikplek, persoonsbewijzen en distributiebonnen te voorzien’.
Van de 17 duizend mensen die verbonden waren aan de LO-LKP – ’s lands grootste verzetsorganisatie – overleefde eentiende de oorlog niet. En dan waren er nog de honderdduizenden die betrokken waren bij de stakingen waarmee Nederland zich onderscheidde van de andere bezette landen: de Februaristaking van 1941, de (voornoemde) April-meistakingen van 1943 en de Spoorwegstaking van 1944-’45.
Onvermeld blijven dan nog het artsenverzet, het kerkelijk verzet en het feit dat 85 procent van de studenten in 1943 heeft geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen – waarmee zij het recht verspeelden om de studie voort te zetten.
Daan Schuurmans heeft niet het verhaal van Nederland in oorlogstijd verteld, hij heeft een verhaal verteld. En dat verhaal is inmiddels al zó vaak opgelepeld (ook door ondergetekende, die in 1995 een weinig vleiend boek schreef over de Universiteit Utrecht tijdens de Duitse bezetting) dat het onderhand hooguit nog verveling oproept.
Of ergernis. Want de verhalenvertellers zelf lijken niet in de gaten te hebben dat ze een sleetse riedel afdraaien. Sterker: ze pretenderen met nieuwe inzichten te komen. Met een ongemakkelijke waarheid waarvan zelfgenoegzame Nederlanders nu eindelijk eens kennis moeten nemen.
Daarbij verwijzen ze steevast naar de heldenverhalen over de oorlog waarin Nederlanders al decennia zouden zijn ondergedompeld en waar zij nu dapper tegenin zouden gaan. In werkelijkheid is de hoogmis voor het strijdende volk niet meer dan een jaar of vijftien gecelebreerd, en bleef ze nooit onweersproken.
Zo schetste Simon Vestdijk drie jaar na de oorlog in Pastorale 1943 al een weinig verheffend beeld van het verzet – en van de modale Nederlander in oorlogstijd. In kinderboeken (zoals die van Anne de Vries en K. Norel) werd de mythe van eendrachtig verzet weliswaar gekoesterd, maar dit genre was vijftig jaar geleden al ruimschoots ingehaald door de tijd.
In zijn 21-delige televisieserie De Bezetting (uitgezonden van 1960 tot ’65) beroofde Loe de Jong zijn landgenoten van eventuele illusies over hun gedrag in oorlogstijd. De mythe van het heldenvolk (of wat daar nog van restte) werd in 1965 definitief ontmanteld door Jacques Presser, die in De Ondergang inzichtelijk maakte hoe funest de gehoorzaamheid van Nederlanders tijdens de Duitse bezetting voor met name de Joden onder hen is geweest.
Welbeschouwd weten we met betrekking tot het meest beschamende onderdeel van onze oorlogsgeschiedenis dus al bijna 60 jaar wat we weten moeten. Maar dit weerhoudt historici en programmamakers er niet van om de medeplichtigheid van Nederlanders aan Duitse oorlogsmisdrijven uitputtend te blijven belichten.
Daarmee wordt het reëel bestaand verzet miskend. Sterker: het begrip ‘held’ wordt in de context van de oorlog problematisch geacht, net als ‘sneuvelen’, ‘vaderland’ en andere martiale woorden die in vredestijd al snel iets lachwekkends kregen – een ontwikkeling die treffend is beschreven door socioloog en journalist Herman Vuijsje in zijn onlangs verschenen boek Wij waren geen soldaat. Voor Willem Frederik Hermans was een held ‘iemand die straffeloos onvoorzichtig was geweest’. Voor Johan Huizinga was ‘het onheroïsche’ bij uitstek kenmerkend voor ‘het Nederlands volksbestaan’.
Zo beschouwd, stond de Liesbeth van der Horst, directeur van het Amsterdamse Verzetsmuseum, in een lange traditie toen zij vorig jaar het woord ‘held’ helemaal uit het museale vocabulaire schrapte. ‘Mensen zijn nu eenmaal nooit honderd procent held’, zei ze in Trouw ter verklaring van deze semantische ingreep. Buiten het krijgsbedrijf is deze terughoudendheid echter geen gemeengoed, getuige de kwistigheid waarmee heldendom werd toegedicht aan topvoetballers, geëngageerde zangers en milieuactivisten die op de A12 zijn gaan zitten.
Een held – hoe je deze soort ook zou willen definiëren – vormt per definitie de grote uitzondering te midden van opportunisten en wegkijkers. Juist omdát helden nooit 100 procent held zijn maar ook twijfelen en aarzelen, is hun optreden in bange tijden – zoals de Duitse bezetting – zo uitzonderlijk en Source: Volkskrant