Ik zeg niet welke bouwmarkt het was, want dat arme kind kan er ook niets aan doen dat ze een stomme trut is. I blame the parents. Maar tjeezes nog aan toe. Het leek zo simpel. Ik wilde iets hebben wat graffiti verwijdert. Bestaat dat? Ja, zei Google, dat bestaat. Mooi, vertel dan maar, waar kan ik dat kopen? Overal, zei Google. Nietes, zei elke winkelsite: niet op voorraad. Blijkbaar was heel Nederland graffiti aan het verwijderen. De zomer van 2023 zal de geschiedenis ingaan als de zomer van de propere gevels. Of wacht: één bouwmarkt, op een uur rijden, had nog één fles op voorraad. Ik bestelde hem meteen, af te halen in de winkel, en sprong in de auto om dat laatste te doen. Het ijzer was heet, er moest gesmeed worden.
Een half uur later stapte ik op de infobalie van de betreffende bouwmarkt af. De vrouw erachter was verdiept in haar computer. Ze zuchtte. Ze was ergens boos over. Ik denk altijd dat dat door mij komt, wat nergens op slaat. Niet mijn schuld, stelde ik mezelf gerust. Ik wachtte. Ik wachtte nog wat. Ik kuchte. Toen riep ik maar zo monter mogelijk: ‘Goedendag!’
Zeker vijf seconden lang reageerde ze niet. Gewoon niet. Toen scheurde ze zich met tegenzin los van de computer, liep naar me toe en zei: ‘Ja?’
Ik zal wel weer overgevoelig zijn, maar als iemand na een vrolijk ‘goedendag’ heel lang niks zegt en dan alleen maar ‘Ja?’, is dat niet waardeneutraal. Dat is fucked up.
‘Hoi, hallo, hee, zeg, nou, ik heb een product bij u besteld en nu kom ik... het...’
Al halverwege mijn zin was ze bij me weggelopen. Aan de verste kant van de balie schoof ze wat mappen en papieren heen en weer. Toen sloeg ze met vlakke hand op de toonbank, en riep: ‘Ik heb geen bon.’
‘O. Ach jeetje. Maar ik heb het besteld. Kijk, hier op mijn telefoon heb ik het mailtje. Het gaat om...’
‘Hoelang geleden?’
‘Eh... een half uur?’
‘Ja, dan is het er nog niet!’
‘Nou, ik heb gecheckt, u heeft het op voorraad hoor. Tenminste, dat zegt de site...’
‘Ik heb geen bon.’
Daar was-ie dan: de Paarse Krokodil. We wisten allebei dat de graffitiverwijderaar er was, nu werd het een strijd tussen mijn enorme redelijkheid en haar minuscule machtspositie.
‘Maar u kunt mijn bestelling dan toch gewoon pakken?’
‘Dat is niet de bedoeling, meneer.’
‘Ja, maar... ik ben nu hier! En ik heb betaald. Dan kan ik het toch wel meenemen nu?’
‘Dat is niet de bedoeling, meneer.’
‘Anders pak ik het zelf wel even uit het schap, en dan kom ik bij u terug?’
‘Dat is niet de bedoeling, meneer.’
In mijn hoofd braken brandjes uit, werd met stenen gegooid, auto’s reden winkels binnen en gemaskerde mannen begonnen om zich heen te schieten.
‘Nou. Pech!’, zei ik. Dat sloeg helemaal nergens op, maar het was wat ik zei.
Ik stormde de zaak in, en binnen een minuut stond ik bij het flesje waar het allemaal om te doen was geweest. Eén stuk, inderdaad. Bij het afrekenen wilde ik er passief-agressief mee wapperen, maar de infobalie was leeg.
In de auto naar huis begon ik te schreeuwen ‘Niet de bedoeling?! Niet JOUW bedoeling! Maar wel MIJN bedoeling!’ en vele, vele varianten daarvan, allemaal geclusterd rond het woordje ‘bedoeling’. Ik reed drie keer fout, en kwam schor thuis.
Source: Volkskrant