Home

Senegal heeft als doel zelfvoorzienend te worden. En dus willen ze graag af van al die Nederlandse uien

Een geslaagd uienseizoen is voor Senegalese boeren als Ndeye Sokhna Gueye (29) nooit helemaal vanzelfsprekend. Land ontginnen, poten, bemesten, irrigeren, oogsten, drogen, wachten, bidden – en dan volgt hopelijk, zoals vandaag, de beloning.

Haar personeel is in alle vroegte al begonnen. Met een snelheid die een geoefende hand verraadt, haalt een vijftal vrouwen hun schilmesjes razendsnel over de uientoppen. Een groepje mannen, getooid met doeken tegen de brandende zon, sorteert wat overblijft: de gezonde uien op de grote hoop, enkele mislukte exemplaren op de kleine.

Over de auteur

Saskia Houttuin is correspondent Sub-Sahara Afrika voor de Volkskrant. Zij woont in Dakar.

Na een korte inspectieronde woelt de jonge boerin tevreden haar hand door de opbrengst: honderden gevulde zakken à vijfentwintig kilo, klaar voor de verkoop. Maar daarmee is haar missie nog lang niet volbracht, zegt Gueye, een waarschuwende wijsvinger in de lucht. ‘We hebben nog een lange weg te gaan als we willen dat Senegal zelfvoorzienend wordt.’

Dat is het West-Afrikaanse land namelijk nog lang niet. Wat opvallend is, want boeren produceren er al jaren meer uien (470.000 ton) dan de Senegalese consument aankan (360.000 ton). En dan komen daar ook nog jaarlijks zo’n 150.000 ton geïmporteerde uien bij, waarvan ruim negentig procent uit Nederland. Hoe kan dat?

Op deze vraag bestaat geen eenduidig antwoord. Al geven de stallen op de markt al een belangrijke hint: hier domineren de stapels oranje zakken oignons hollandais het beeld van de groentekraam. Ze komen uit Zeeland of de Flevopolder, en zijn meestal duurder dan de lokale variant.

Desondanks, zegt Boubacar Sall (66), genieten ze de voorkeur van de consument. ‘Veel Senegalezen vinden Nederlandse uien beter smaken’, zegt de uienboer schouderophalend. Hij niet – ‘natuurlijk vind ik mijn eigen uien het lekkerst.’ Met ruim veertig jaar ervaring heeft het bolgewas een haast religieuze plek in Salls leven. In zijn slaapkamer hangt er altijd een aan een touwtje, ‘tegen ziekten’.

Dat neemt niet weg dat de Senegalese ui kampt met een kwaliteitsprobleem, zegt Sall, zijn ruwe handen rustend op twee telefoons die onophoudelijk trillen. Behalve boer is hij voorzitter van de nationale vereniging voor uienkwekers. Op zijn velden in Podor, een woestijndepartement aan de oevers van de Senegal-rivier, is het tegenwoordig zo heet dat zijn irrigatiekanalen vaak niet afdoende zijn.

In andere delen van het land is het in de zomermaanden juist te nat. Het geschikte seizoen voor uien is daarom beperkt: ruwweg van oktober tot juli, met als absolute piek het voorjaar, wanneer tachtig procent van het jaartotaal wordt geteeld. Daardoor ontstaat een race onder boeren om hun uien zo snel mogelijk te oogsten en verkopen – wie te laat is, krijgt immers niets.

Sall schudt zijn hoofd. ‘Die haast werkt alleen maar averechts. Het is juist heel belangrijk dat de uien goed drogen voordat je ze uit de grond haalt. Anders zijn ze zo rot.’ Ondanks dat er volgens Sall in de afgelopen jaren veel vooruitgang is geboekt, nemen veel boeren dat advies nog niet altijd ter harte.

Maar zelfs Senegalese uien van topkwaliteit halen het niet bij de houdbaarheid van de Nederlandse concurrent, die soms wel tot tien maanden kunnen blijven liggen. Daardoor gaat elk jaar eenderde van de landelijke uienopbrengst verloren. Gekoelde opslagplaatsen kunnen uitkomst bieden, maar zijn te schaars. Wie daar iets aan kan veranderen? ‘De overheid natuurlijk’, zegt Sall.

De overheid, dat is in dit geval het ministerie van handel. Op de tweede verdieping van een witte villa huist hun instelling, die de spil vormt tussen de staat, boeren, handelaren en importeurs: de nationale autoriteit voor marktregulatie (ARMP). In een poging de Nederlandse minder ruimte te geven, troffen zij een reeks maatregelen om de Senegalese boer te beschermen.

Vanachter zijn bureau somt directeur exploitatie Babacar Sembene ze op: de oprichting van coöperaties, prijsregulatie, en – misschien wel het belangrijkste besluit – een jaarlijks importverbod zolang het Senegalese uienseizoen loopt. Dit betekent dat de Nederlandse ui pas weer in de zomer, wanneer de lokale uien verkocht of verrot zijn, de haven van Dakar zal bereiken.

Autosuffisance, zelfvoorziening, vormt een belangrijke pijler van de Senegalese overheid. ‘En voor uien is het zeker mogelijk’, zegt Sembene. ‘Maar niet van de ene op de andere dag.’ Zeker niet zolang Nederlandse boeren zo competitief zijn op de wereldmarkt en ook zeker niet zolang zijn budget voor koelcellen en hangars beperkt blijft. ‘Dat soort infrastructuur kost extreem veel geld. In Europa hebben boeren een heel systeem achter zich – subsidies, ondersteuning. Het zijn geen kleine spelers, zoals hier.’

Afrikaanse landen, zegt Sembene, hebben wat dat betreft nog altijd een zwakke positie binnen de internationale handel. ‘Het is oneerlijk, maar we ondergaan het.’ Terwijl gefrustreerde boeren wijzen naar de overheid, wijst de overheid weer naar Nederland. Nog voor Sembene erover begint, loopt een collega zijn kantoor binnen: ‘Zeg maar tegen uw ambassadeur dat ze ons moeten helpen.’ Sembene licht glimlachend toe: ‘In Nederland zeggen ze dan misschien: wat is ons belang daarbij? Dan kunnen wij niet meer exporteren. Maar wij denken dat er potentie is om samen op te trekken.’

Kijk bijvoorbeeld naar de neveneffecten die een goeddraaiende uiensector hier kan opleveren. ‘Er valt wat te winnen als het gaat om welvaart en stabiliteit’, zegt Sembene. ‘Als er minder armoede en meer werkgelegenheid is, zijn mensen een stuk minder onrustig. Zo kan migratie, van mensen die op vissersbootjes de Middellandse Zee oversteken, worden voorkomen.’

Ndeye Sokhna Gueye onderneemt dit najaar zelf een reis naar Nederland, om daar de kunst van de uienteelt af te kijken. Als student Landbouwkunde schreef ze vijf jaar eerder haar afstudeerscriptie over uien, sindsdien heeft de groente haar niet meer losgelaten. ‘Ik probeer van dag tot dag een beetje beter te worden.’

Wie weet levert het bezoek aan de Nederlandse uienvelden nog wat op. Niet alleen voor haar boerenbedrijf, maar ook voor de Senegalese landbouwsector. ‘We zijn niet met veel, maar er zijn hier hele goede landbouwkundigen’, zegt ze. ‘En we hebben vruchtbaar land, water, en kennis. Waarom niet, misschien kunnen we samen optrekken om ons land zelfvoorzienend te maken en verder te ontwikkelen. Landbouw is daarvoor onmisbaar.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next