Ook ik hoor bij het legertje dat een mening heeft over de omroep Ongehoord Nederland (ON) en daarvan nooit een programma heeft gezien. Dat laatste wil ik graag zo houden; die mening heb ik vooral over de argumenten waarvan de publieke omroep zich bedient om ON uit het bestel te willen gooien. Max Pam schreef woensdag terecht dat de vrijheid van meningsuiting ondeelbaar is. Dat betekent dat je ook dingen mag zeggen die gemeen, abject en zelfs gelogen zijn. Meningenvrijheid die alleen voor de juiste meningen is, kun je wel opdoeken, wist Voltaire al. Daarover hoeven we het dus verder niet te hebben.
Mij gaat het om wat anders. Ik verbaas me regelmatig over de bijna kinderlijke oordelen die worden gegeven over het journalistieke ambacht. In dit geval ligt er een rapport van de ombudsman van de publieke omroep, die had vastgesteld dat ON zich bezondigt aan ‘onbetrouwbaar nieuws’ en ‘desinformatie’. Nu kun je wel vaker twijfelen aan de kundigheid van ombudslieden, maar dat is een ander verhaal. Het moet ook deze NPO-ombudsman toch zijn opgevallen dat als de journalistieke boodschap niet bevalt, de autoriteiten er als de kippen bij zijn om ‘onjuiste inhoud’ en ‘desinformatie’ van stal te halen. Die kritiek zal dus op ON-baas Arnold Karskens weinig indruk maken.
Daar kwam het opmerkelijke verwijt bij van ‘niet doorvragen’. Wie bepaalt wat de categorie doorvragen behelst? Je hoeft niet heel veel talkshows te zien om twee dingen te weten. Bij de introductie van elk onderwerp zie je meteen of de gast een held of een schurk is. Gezien het uitnodigingenbeleid zijn er doorgaans alleen helden en blijft tegenspraak tot het absolute minimum beperkt. De NPO-pot verwijt hier de ON-ketel.
ON valt kortom buiten de consensus, en men heeft nu besloten dit varkentje te wassen. Toevallig verscheen een week eerder het jaarverslag van de AIVD, waarin in vergelijkbare bewoordingen het ‘thema’ van het zogeheten ‘anti-institutioneel extremisme’ werd aangesneden. Ook hier de bijna kinderlijke ondubbelzinnigheid waarmee dreigingen werden aangewezen. Het jaarverslag rept van ‘ondermijnende boodschappen dat je de overheid en andere instituties niet kunt vertrouwen’, over ‘een cultuur die fundamenteel tegendraads’ is, en over een groepering die er ideeën op nahoudt over een ‘kwaadaardige elite’.
Zo’n honderdduizend mensen, schrijft de geheime dienst, koesteren dergelijke denkbeelden. Stap een willekeurig café binnen en het zal er vermoedelijk gaan over een kwaadaardige elite en zeker over een onbetrouwbare overheid. Als dat de dreigingen zijn, gaat de AIVD het nog druk krijgen. Zelf moest ik bij het lezen van het jaarverslag denken aan befaamde journalist en chroniqueur H.J.A. Hofland (1927-2016), wiens opvattingen ruimschoots vielen binnen de marges van ‘anti-institutioneel extremisme’.
Hoflands belangrijkste boek heet Tegels lichten (1972) en was een boutade tegen het gezag, inclusief de dociele journalistiek. Voor de elite had Hofland geen goed woord over en ook het complet was zelden ver. Onder de tegels die hij lichtte, krioelde van alles dat het daglicht niet kon verdragen. Hofland zag de overheid als een georganiseerde oplichtersbende en schreef tien jaar later tevreden ‘dat de goede zaak in ruime mate ontmanteld’ was. Sommige ondermijnende visies zijn klaarblijkelijk getapter dan andere, want Hofland werd gekroond tot journalist van de eeuw en de belangrijkste journalistieke prijs heet nog altijd de Tegel.
Elitekritiek heeft een lange geschiedenis die teruggaat op de socioloog Robert Michels, die een eeuw geleden schreef over de ijzeren wet van de oligarchie. Het lijkt er sterk op dat het tegenwoordig vooral een sociale kwestie is geworden of kritiek acceptabel wordt gevonden, dan wel een gevaar voor de samenleving. Wie aan de goede kant staat, mag zonder kleerscheuren ‘de banken’, ‘de grote multinationals’ of ‘het systeem’ aanwijzen als de boosdoeners en de veroorzakers van alle leed. Keurige denkers als Maxim Februari en Paul Frissen schreven over een overheid die per algoritme steeds verder tussen uw oren, achter de voordeur en onder uw bed kruipt. Hooggeleerde politicologen spraken decennialang over het ‘bestuurskartel’ dat in Nederland de dienst uitmaakt. Maar sinds Thierry Baudet het over ‘het kartel’ heeft, hoor je dat woord ineens veel minder.
In de pikorde van de journalistiek is onthullen en aanklagen nog altijd de hoogste vorm. Onze helden zijn, ook bijna een halve eeuw nadat All the President’s Men is verschenen, nog steeds Woodward en Bernstein, die met hun artikelen over Watergate een president van de troon stootten. Journalisten zien zichzelf ook nu nog graag als ‘fundamenteel tegendraads’, in AIVD-bewoordingen. Argwaan is ons belangrijkste gereedschap, en de meest elementaire journalistieke vraag luidt sinds mensenheugenis: o ja, is het wel zoals ze ons voorhouden?
Maar de draad tussen gerechtvaardigd wantrouwen van de ijverige speurneus en de onthulling van een complot van Klaus Schwab is een dunne. Het is om die reden dat het vonnis over eventuele journalistieke misstappen bij de rechter thuishoort, niet bij ombudsmannen met een onduidelijke status en zeker niet bij de politiek.
Source: Volkskrant