Home

Zou de stijging van het aantal verkeersdoden komen door een aanpassing van de definitie?

Toen ik las over de stijging van het aantal verkeersdoden herinnerde ik me een man die me in januari aansprak bij het Science Café Deventer. Ik had daar een lezing gegeven over liegen met cijfers en de man zei: ‘Ik weet ook nog een mooi voorbeeld voor u.’ Hij vertelde dat de definitie van verkeersdoden was aangepast. Nu telde iedereen mee die binnen dertig dagen na een ongeval overleed, maar vroeger was dat een kortere periode. Door die verandering telt iemand die drie weken na een aanrijding overlijdt nu mee in de statistieken, terwijl dat daarvoor niet zo was. ‘Door die aanpassing van de definitie zal het aantal verkeersdoden stijgen, ook als er verder niets verandert.’

Zou dat de reden zijn dat het aantal verkeersdoden steeg van 582 in 2021 naar 737 in 2022? Ik zocht op welke definitie het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt. Zij blijken al sinds 1996 de verkeersdoden bij te houden volgens dezelfde definitie. Om precies te zijn: ‘Een verkeersdode is een weggebruiker die is overleden ten gevolge van een plotseling optredende gebeurtenis op de openbare weg op Nederlands grondgebied, verband houdend met het verkeer, waarbij ten minste één rijdend voertuig betrokken was. Het slachtoffer is binnen 30 dagen na het ongeluk overleden.’

Om nog preciezer te zijn worden ook nog een aantal uitzonderingen genoemd, zoals ongevallen op plaatsen die niet zijn opengesteld voor openbaar rijverkeer en ander verkeer. Maar het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt dus al meer dan 25 jaar een definitie met daarin die termijn van dertig dagen na een ongeval.

Ik stuurde een mail naar SWOV Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid om te vragen of zij weten of er vroeger misschien een kortere termijn dan dertig dagen gold. Patrick Rugebregt van SWOV antwoordde me binnen anderhalf uur, wat zijn dit soort instituten toch fantastisch. Voor zover ze bij SWOV konden nagaan heeft hier altijd die termijn van dertig dagen gegolden.

Rugebregt stuurde me de vroegste publicatie die hij hierover kon vinden: een rapport uit 1979 over niet-geregistreerde verkeersdoden. Dit rapport geeft een schatting van het aantal verkeersslachtoffers dat meer dan dertig dagen na het ongeval overlijdt ten gevolge van het opgelopen letsel. De schatting is dat deze groep de omvang heeft van 3 procent van de geregistreerde verkeersslachtoffers.

Misschien heb ik verkeerd onthouden wat de man in Deventer tegen me zei. Misschien had hij het over een ander land, of zelfs over een andere statistiek. Het aantal verkeersdoden lijkt niet gestegen door een veranderde definitie.

De afgelopen weken ging het heel terecht over de vraag wat er nodig is om het aantal verkeersslachtoffers te verlagen. Er werd veel geschreven over hoe ouderen op (elektrische) fietsen veel risico lopen, maar er werd weinig werd gezegd over de verschillen tussen vrouwen en mannen. Terwijl de verschillen groot zijn: vorig jaar was 71 procent van de verkeersdoden een man, 29 procent was vrouw. In elke leeftijdscategorie overleden er meer mannen dan vrouwen, zelfs bij de 80-plussers. Daar waren het 122 mannen versus 56 vrouwen. En dat terwijl er veel meer vrouwelijke tachtigplussers dan mannelijke zijn. Zouden die mannen zoveel meer kilometers maken op de weg? Of is er iets anders aan de hand?

Over de auteur

Ionica Smeets is hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden. Ze is wiskundige en schrijft sinds 2009 columns voor de Volkskrant.

Source: Volkskrant

Previous

Next