Drie mannen in rokkostuum met een Jodenster op de revers staan in een academische ambiance met toga’s, baretten en hoogleraar-portretten. Naast het drietal zit een oudere vrouw, op haar paasbest gekleed. Ook zij draagt een Jodenster. Het tafereel is de promotie van Leo Isaac Swaab tot doctor in de geneeskunde, op 15 mei 1942 vastgelegd in de senaatskamer van de Gemeentelijke Universiteit, zoals de Universiteit van Amsterdam toen nog heette.
Nog altijd raakt zijn zoon Dick Swaab – gelauwerd neurobioloog en bij het grote publiek bekend als auteur van het boek Wij zijn ons brein – geëmotioneerd bij de aanblik van de foto’s die zijn gemaakt op de dag waarop zijn vader promoveerde. De sterdragers op de foto van de plechtigheid zelf, Leo Swaab, zijn moeder Sara en de twee paranimfen, hebben de oorlog overleefd. Maar op de groepsfoto die later die dag in de senaatskamer is gemaakt, poseren meerdere vrienden en familieleden die in de oorlog werden vermoord.
De foto waarop de bedrieglijke normaliteit van het academisch bedrijf is verenigd met het naderende onheil, zal centraal staan tijdens lezingen die Dick Swaab op 30 april en 4 mei zal houden. Ze zijn onderdeel van het jaarlijkse herdenkingsproject Joodse Huizen/Huizen van Verzet: bijeenkomsten op plaatsen die aan de Duitse bezetting herinneren.
In het geval van Swaab gaat het om een zaal in het voormalige Wilhelmina Gasthuis, waar vader Leo werkzaam was als gynaecoloog, én om het vroegere onderkomen van het Nederlands Herseninstituut. Dat speelde niet alleen een voorname rol in het leven van Dick Swaab (hij was er dertig jaar directeur), maar ook in dat van zijn vader Leo. In de zomer van 1942 onderging hij daar een schedelmeting, uitgevoerd door hersenonderzoeker Cornelis Ubbo Ariëns Kappers. Die verklaarde dat Swaab volgens de antropologische criteria van de nazi’s niet als Jood kon worden aangemerkt en daardoor recht had op een zogenoemde Sperre: een vrijwaring van deportatie.
‘Ariëns Kappers heeft willens en wetens een kul attest uitgeschreven’, zegt Swaab. ‘Hij was zelf weliswaar een beoefenaar van de antropometrische wetenschap, die rassenkenmerken vastlegde op basis van metingen aan het menselijk lichaam. Maar hij had al ver voor de oorlog vastgesteld dat de Semieten geen apart ras vormden. Toch waren zijn attesten zo gezaghebbend dat hij er mogelijk het leven van 300 tot 500 Joden mee heeft gered. Mijn vader riep zo nu en dan dat hij een gut proportionierter Südarier was. Pas later begreep ik dat dit de uitslag van het nepattest was.’
Leo Swaab had overigens niet de illusie dat het kul attest van Ariëns Kappers hem duurzaam zou vrijwaren van de deportatie, waar zijn broer Juda, diens vrouw Hansje en hun (Duits-Joodse) stiefkind Steffi in de nazomer van 1942 wel slachtoffer van werden. Hij dook onder in het huis aan de Amsterdamse Apollolaan dat hij met zijn (niet-Joodse) vrouw Ans bewoonde. ‘Dat huis had een balkon aan de straatzijde, en daar ging mijn moeder staan als er werd aangebeld. Mijn vader kon zich intussen verstoppen in zijn schuilplaats onder de vloer, waar hij alleen in paste als hij het hoofd opzij draaide. Mijn moeder liep dan via de schuilplaats, waar ze het vloerkleed overheen legde, naar de voordeur op de begane grond.’
‘Het merkwaardige was dat mijn vader in de onderduik desgevraagd medische hulp verleende’, zegt Swaab. ‘Dit plichtsbesef werd hem bijna fataal toen in het najaar van ’43 werd aangebeld door een man die zei dat z’n vrouw een ernstige bloeding had: of de dokter snel kon komen. De dokter was gevoelig voor het beroep dat op hem werd gedaan, maar de man was een verrader. Iemand die kopgeld inde voor het aangeven van ondergedoken Joden. Zeven gulden vijftig, als ik mij niet vergis.
‘Mijn vader werd meegenomen naar de vroegere meisjes-HBS aan de Euterpestraat, de huidige Gerrit van der Veenstraat, waar destijds de Sicherheitsdienst (SD) zetelde. Mijn moeder, verpleegkundige van beroep, trok haar uniform aan en is daar ook naartoe gegaan. Toen ze mijn vader zag, is ze gaan doen alsof haar weeën waren begonnen, want ze was hoogzwanger. In de commotie die daarop ontstond, heeft ze kunnen ontsnappen, mét mijn vader.’
Kort daarop beviel de moeder van Dick Swaab van haar eerste kind. ‘Een jongetje met open ruggetje dat enkele weken na z’n geboorte aan een infectie overleed. Mijn moeder heeft altijd gedacht dat het open ruggetje was veroorzaakt door de stress op de dag van de ontsnapping. Ik heb haar heel vaak uitgelegd dat de hersenen en het ruggenmerg al in de eerste weken van de zwangerschap worden aangelegd, maar dat heeft ze om de een of andere reden niet willen horen.’
Vader Leo was na zijn ontsnapping uit de SD-centrale weer teruggekeerd naar zijn woning aan de Apollolaan. Nog eenmaal heeft hij daar Duitsers over de vloer gehad: op 24 oktober 1944. De ongenode gasten waren niet gericht op zoek naar hem, vermoedt Swaab, maar zochten mannen die getuige moesten zijn van de executie van 29 Nederlandse gevangenen voor het huis van de familie Swaab. Een represaille voor de moordaanslag op de SD’er Herbert Oelschlägel, daags tevoren. ‘Ze hebben toen een pistool op de slaap van mijn moeder gezet: waar is je man? ‘Schiet maar’, zou mijn moeder hebben gezegd. ‘Ik weet het niet.’ Daar hebben ze kennelijk genoegen mee genomen, want ze vertrokken onverrichter zake.’
Een kleine twee maanden na dit voorval, op 17 december 1944, werd Dick Swaab geboren. ‘Ik ben 43 weken in de baarmoeder gebleven, zo lang mogelijk. De baring kwam niet goed op gang, dus mijn moeder moest in het ziekenhuis onder narcose worden gebracht. Er was midden in de Hongerwinter geen licht, geen warmte, geen elektriciteit. Mijn moeder werd vervoerd in een ambulance die werd getrokken door een paard. Na de moeizame bevalling moest mijn moeder weer snel terug naar huis, want mijn vader lag daar onder de vloer.’
Na de oorlog kregen Leo en Ans Swaab nog twee kinderen: Leo en Els. Het verleden werd zorgvuldig afgedekt, zoals in zoveel Joodse families. Desondanks – ook dat is een gangbaar verschijnsel – was de oorlog altijd drukkend aanwezig. Dick speelde met een Märklin modeltrein ‘bestaande uit een locomotief, een kolenwagen en een paar wagons’, die van een vermoord Joods jongetje was geweest. Diens moeder, die de oorlog wel had overleefd, wilde graag dat een ander kind ermee speelde.
Duidelijk is in elk geval dat Swaabs zoon (nu 47 jaar oud) sterk is beïnvloed door de familiegeschiedenis. ‘Hij zal een jaar of zes zijn geweest toen hij bloembollen kreeg van mijn moeder, voor in zijn tuintje. Na een tijdje vroeg ze ‘wat is er toch van die bollen geworden?’ Toen bleek dat hij ze onder zijn bed had verstopt, voor het geval het oorlog zou worden. In een poging hem gerust te stellen liet ik hem een paar oude vliegtickets zien: we kunnen altijd wegvliegen als het nodig is. Ik betwijfel of het geholpen heeft. Mijn zoon had last van mij, en van de oorlog. Dat zei hij later ook tegen me. Ik weet niet of dat de reden is dat hij nu in Singapore woont.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden