Zo nu en dan kom ik tot de conclusie dat ik mijn leven eens op orde zou moeten krijgen. Meestal ga ik na het hebben van deze gedachte heel lang douchen, me verheugend op alle overzichtelijkheid die zal volgen. Geheel volgens dit patroon stond ik me vorige week af te drogen, waarna ik me plots realiseerde dat ik een kwartier later moest optreden – in Leiden welteverstaan.
Wat volgde, was een vrij panische taxirit die uiteraard langer duurde dan een kwartier, drie kwartier om precies te zijn, voor een bedrag dat overeenkwam met mijn vergoeding. Mijn moeder zei altijd dat het onbeleefd was om achter in een taxi te gaan zitten, omdat de chauffeur daardoor ingewreven zou krijgen dat hij chauffeur was. Hoewel ik inmiddels mijn vraagtekens heb bij deze redenering, zit ik om die reden sinds jaar en dag voorin, wat maakt dat ik telkens moet doen wat ik eigenlijk niet wil: praten.
De chauffeur van vorige week vroeg me wat ik in Leiden moest doen, waarop ik antwoordde dat ik een groep studenten zou vertellen over mijn boek. Zijn eerste reactie was een ongebruikelijke, namelijk dat dit het moment was om te trouwen. Hij zei: ‘Je hebt een huis en je hebt een boek; nu trouwen.’ Op de een of andere manier klonk dat heel logisch, dus terwijl ik nog nadacht over de mate waarin dit te realiseren viel, stelde hij me een andere, meer diepzinnige vraag: ‘Komt jouw boek echt van jouw hoofd?’
Enigszins aangetast in mijn eergevoel antwoordde ik direct dat mijn boek als vanzelfsprekend van mijn hoofd kwam, maar even later begon het toch te knagen. Ik moest denken aan mijn beste en tamelijk briljante vriend van de middelbare school, die op een gegeven moment steeds somberder werd omdat hij naar eigen zeggen niet geloofde ooit een gedachte te zullen hebben die iemand anders niet al eerder had gehad. Nu liep ik steevast twee inzichten op hem achter, dus toen hij filosofie ging studeren, durfde ik dat zelf niet: veel minder oorspronkelijk dan mijn hoofd zou het waarschijnlijk niet worden.
Het is een van de meest wijdverbreide misverstanden over het studeren van filosofie: dat je al in het bezit zou moeten zijn van eigen ideeën voordat je er überhaupt aan begint. Wat je in feite zou moeten hebben zijn vragen, hoewel het tweede misverstand luidt dat je daar tijdens die studie antwoord op krijgt. Jaren later ben ik alsnog aan filosofie begonnen, en een van de weinige geruststellingen is een gebrek aan eenzaamheid: je bent niet de enige met vragen en geenszins de enige zonder antwoorden.
Nu weet ik dat veel mensen filosofie associëren met gezwets, maar eigenlijk is mijn ervaring exact het tegenovergestelde: het draait om vragen noch antwoorden, maar om je precies uitdrukken. Om met de woorden van mijn lievelingsfilosoof Adorno te spreken: je niet laten meevoeren door de vertrouwde stroom van de taal. Iedere schrijver of filosoof die zich tegen die stroom weet te verzetten, kan naar mijn idee zeggen dat haar werk ‘echt’ van haar hoofd komt.
Dit verklaart misschien ook waarom veel grote denkers vaak moeilijk levende mensen zijn: waar dat verzet prijzenswaardig is op papier, is het nogal onhandig in de rest van het bestaan. Daar kun je je maar beter laten meevoeren – en uit beleefdheid bij voorkeur voorin.
Source: Volkskrant