Home

‘Een succes kun je de mensheid bepaald niet noemen’

Als forensisch arts heeft Udo Reijnders duizenden lichamen van overledenen onderzocht. Wat heeft hij daarvan geleerd over de mens, en over de dood? ‘De natuur zal ons altijd voor blijven.’

Wanneer hij 18 jaar is, wordt Udo Reijnders diep geraakt door het noodlot dat een goede vriend van zijn oudere zus treft. Frans is een paar jaar ouder, studeert geneeskunde en krijgt kanker: ‘Hodgkin, daar was destijds bar weinig tegen te doen. Ik vond zijn overlijden zo’n groot onrecht. Een crue grap. Wat stelt het leven voor als zoiets zomaar kan gebeuren? Ik heb daar enorm mee geworsteld.’ Het effect is groot: niet alleen neemt hij in die tijd voorgoed afstand van het katholieke geloof, ook zet de vroegtijdige dood van Frans hem op het pad van de studie geneeskunde: ‘Ik wilde er iets tegenoverstellen’.

Van de achttien jaar ervoor zegt hij zich nauwelijks iets te kunnen herinneren. Nou, vooruit dan: wel hoe hij als 5-jarig jongetje uit een Amsterdams middenklassegezin in zijn bedje lag te woelen, worstelend met existentiële vragen: ‘Hoe kan het dat tijd en ruimte oneindig zijn? En waar is die hemel, waar ik terecht zou komen als ik eenmaal dood ben?’ De vragen beangstigen hem enorm: ‘Ik moest die gedachten stopzetten, anders was ik compleet doorgedraaid’.

In het gezin, met nog drie kinderen, wordt hij gezien als het buitenbeentje: ‘Ik zat graag onder tafel. ‘Udo is gek’, werd er wel gezegd.’ Zijn vader herinnert hij zich als iemand die ‘voortdurend met zijn duim op zijn pols zijn hartslag zat te tellen’. En als een ‘buitengewoon gelovig’ mens: iedere ochtend, voordat hij naar zijn werk bij een verzekeraar gaat, bezoekt vader Reijnders de kerk. Zijn zoon heeft nauwelijks contact met hem en met zijn moeder evenmin. Zijn eetlust is minimaal (‘Ik werd de Biafraan genoemd’), zijn schoolcarrière verloopt uiterst traag. ‘Ik geloof niet dat je mijn jeugd gelukkig kunt noemen. Ook niet ongelukkig, het was zoals het was.’

Via tal van omwegen begint hij op zijn 25ste aan een studie geneeskunde. Dan gaat het razendsnel: in zijn vierde studiejaar begint hij aan een proefschrift over de resultaten met chirurgische technieken bij perforaties in de twaalfvingerige darm. Daarna kiest hij voor het vak van forensisch arts. Met politie en justitie trekt hij op bij rampen (zoals de Volendambrand en de Bijlmerramp) en bij het ontraadselen van misdrijven. In zijn carrière schouwt hij naar schatting ‘tweeënhalf- tot drieduizend lijken’. Apotheose is zijn hoogleraarschap forensische geneeskunde aan de universiteit van Amsterdam. Op 68-jarige leeftijd werkt hij nog altijd, als hoogleraar en als politiearts.

‘Wat het menselijk lichaam betreft blijf ik onder de indruk van hoe bijzonder dat in elkaar zit. Neem het begin: als die zaadcel die eicel ontmoet, begint een reeks van miljarden delingen nog voor het moment dat iemand wordt geboren. Die zijn allemaal goed gegaan! We hebben de neiging onze aandacht te richten op wat misgaat: van alle mensen die levend worden geboren, heeft 1 à 2 procent een afwijking, van een kromme pink tot iets ernstigs. Maar mij verbaast veel meer dan die afwijkingen, hoeveel er dus goed gaat. Dat is te danken aan de natuur, die maakt dat we overleven.

‘Als de natuur niet zo veel genas, zouden we bij bosjes sterven. De natuur doet veruit het meeste, wij kunnen als medici maar in een bescheiden aantal gevallen iets betekenen. We krijgen wel meer kennis en het is indrukwekkend wat er aan onderzoek plaatsvindt, maar we moeten onszelf geen illusie maken: we weten verrekt weinig. We ontrafelen van alles, zoals op genetisch gebied, maar de complete ontrafeling zullen we waarschijnlijk nooit meemaken. Want we komen wel steeds een stapje verder met onze kennis, maar de natuur zal ons altijd voor blijven. Die zit zo geraffineerd in elkaar. De mens vermag veel, maar de natuur handelt.’

‘Daar is alle aanleiding toe. Ik probeer dat ook door me te realiseren hoe weinig ik voorstel. Vroeger zag ik erg op tegen mensen die waren gepromoveerd. Maar toen ik dat zelf had gedaan, begreep ik hoe weinig het betekende. Van een heel klein deel van het lichaam, de twaalfvingerige darm, wist ik wat meer dan anderen. Nou, daar ligt echt niemand van wakker. Op het moment van promoveren waren mijn inzichten alweer zo goed als achterhaald. Daarna was ik voorgoed genezen van de gedachte dat het wat voorstelde.

‘Je kunt niet bescheiden genoeg zijn, ik hoop dat ik een bescheiden mens ben. Hoe meer je ergens van weet, des te beter heb je door dat die kennis beperkt is. Juist door al het onderzoek zie je de geweldige complexiteit van de natuur. We blijven met onze nieuwsgierigheid strijden tegen ons niet-weten, dat is eigen aan de mens, maar er zal altijd veel niet-weten overblijven.’

‘Neem de vraag: wat is iemands doodsoorzaak? We slaan daar nog dikwijls maar een slag naar. Zelfs bij mensen die op de intensive care overlijden en dus heel goed in de gaten worden gehouden, blijkt bij een sectie in een aanzienlijk percentage van de gevallen een andere doodsoorzaak dan eerder is geconstateerd. Dan heb ik het dus nog niet over de mensen die thuis overlijden. Artsen schrijven dan heel gemakkelijk ‘acute hartdood’ op. Een ‘drempelschouw’ noem ik dat wel gekscherend: ze steken hun hoofd om de hoek, constateren dat iemand dood is en schrijven een doodsoorzaak op. In het gros van de gevallen wordt geen sectie verricht. Soms is dat ten onrechte. Ik weet zeker dat veel meer mensen een niet-natuurlijke dood sterven dan onze statistieken aangeven. Ik vind het schrijnend wanneer dat over het hoofd wordt gezien.’

‘Artsen vinden de dood iets griezeligs, net als de meesten van ons. Bovendien zijn ze gericht op het genezen van mensen. Hun belangstelling verdwijnt volledig zodra iemand voor het laatst zijn ogen heeft dichtgedaan. Nabestaanden zitten ook niet op een sectie te wachten, zij zijn bezig met hun verdriet, begrijpelijk. Toch zou het ook voor hen goed kunnen zijn. Zeker bij een onverwachte en onverklaarde dood kan inzicht in de doodsoorzaak helpen bij de verwerking van het overlijden.’

‘De enige manier om dit werk te doen is met een technische blik naar een lijk kijken. Als je op een plaats delict komt, moet er focus zijn: wat heeft zich hier afgespeeld? Wat voor mens het is geweest, laat ik dan zo veel mogelijk buiten beschouwing. Mijn collega’s doen dat ook, anders hou je dit werk niet vol. Maar soms lukt dat niet. Voor mij was dat onmogelijk bij de Volendamramp (de brand in café ’t Hemeltje, eind 2000, met veertien doden en driehonderdvijftig gewonden, red.). Ik kwam daar als een van de eersten aan en belandde in de hel op aarde. Ik had slechts één infuus en wat ampullen bij me. Met lappen, dweilen en T-shirts zijn we mensen gaan koelen. Allemaal jonge mensen, ik besefte meteen dat velen zo’n lange weg te gaan zouden krijgen. Het was ook zo massaal, een waar inferno.

‘Waar ik ook moeite mee heb, zijn bedrijfsongevallen: mensen die met een broodtrommeltje van huis gaan en dan in een openstaande liftschacht vallen of zoiets. Nooit meer thuiskomen. Dan krijg ik datzelfde gevoel als destijds bij Frans: dit kan toch niet de bedoeling van het leven zijn? Een dwaze gedachte, misschien, maar zo voel ik het wel, als een groot onrecht. Net als bij de Volendambrand, met al zijn jonge slachtoffers.’

‘In principe het toeval, maar ik kan in mijn leven wel gebeurtenissen aanwijzen die mij op een bepaald spoor hebben gezet. Dat is altijd achteraf, dat geeft je een soort houvast in je leven waar je als mens behoefte aan hebt. Ik denk aan de rol die mijn docente recht op de meao heeft gespeeld. Zij zag dat ik daar niet op mijn plaats was. Dat is zo belangrijk geweest.’ Geëmotioneerd: ‘Dat ik werd gezien. Juist omdat dat thuis niet het geval was.

‘In een latere fase was de chirurg Joost Borggreve belangrijk. ‘Jij wordt mijn wetenschapper’, zei hij een keer zo maar tegen me. Een paar jaar later reed hij zich met de motor dood. Ik heb mijn proefschrift ook aan hem opgedragen.’

‘Ik omring me graag met schoonheid, zoals kunst, goede boeken. Dat zijn uitingen van emoties die me kunnen raken. Die hoeven helemaal niet vrolijk te zijn, een kunstwerk kan een mens op een brandstapel voorstellen of delen van een skelet. Maar raakt het me, dan schuilt daarin voor mij troost. Kinderen heb ik niet. ‘Een groot kruis is me bespaard gebleven’, zeg ik soms grappend. Ik heb het serieus nooit één seconde overwogen, mogelijk vanwege mijn jeugd, ja. Maar wat ook meespeelt, is dat ik de mensheid tamelijk abject vind.’

‘Als ik zie wat voor verschrikkelijks er is gebeurd en nog steeds gebeurt. Slavernij hebben we afgeschaft, ja, maar er is wel nog steeds mensenhandel. Dat is toch onvoorstelbaar – mensen als handelswaar? Hoe mensen door macht en geld worden gedreven, dat is toch absurd, dat maakt iedereen dol. De sociale cohesie is uit de samenleving verdwenen. Oorlogen, de omgang met de natuur – de bende die de mensheid ervan maakt is toch verschrikkelijk?

‘Het is een merkwaardige toevalligheid geweest dat de mensheid is ontstaan, maar een succes kun je het bepaald niet noemen. Wat is de bedoeling geweest? Ik heb geen idee. Ondertussen komen er nog eens miljarden mensen bij op de wereld. Er is nergens de gedachte: dit moet een keer stoppen. Maar wat hebben we al die nieuwelingen te bieden? Gelukkig is er de dood.’

‘Maar wat is de reden dat het is ontstaan? Dat we hier zo kunnen zitten en met elkaar kunnen praten, dat is bizar, een regelrecht wonder. Maar moet ik daarom gaan geloven? Nee. Ik hou he Source: Volkskrant

Previous

Next