Wat ik weleens overweeg, is om een reservecolumn te maken. Je moet er altijd een achter de hand hebben, zeiden ze tegen me.
‘Want?’, zei ik. (Dat leek me de goede attitude voor een columnist, niets zomaar aannemen, altijd doorvragen.) (Mijn doel was toen nog Bert Wagendorp uit de basis spelen. ‘Want?’ Zelfs jezelf constant bevragen, nam ik me voor. ‘Want?’ Omdat je alleen zo de onderste steen bovenkrijgt. ‘Want?’ Om jou met die onderste steen alle tanden uit je bek te rammen. ‘Want?’ Hier echt slaan, mezelf dus, met een baksteen, op die tandjes.)
Maar goed, van Wagendorp een bankzitter maken, en zelf op de 2 komen, ik denk omdat mijn toenmalige vriendin me had verteld dat haar ex-man graag zijn visie op de actualiteit gaf, zus en zo, en wel hierom, blablabla, en dat ze er dan later op de dag, als ze ging zitten met de krant, achter kwam dat hij de complete column van Bert Wagendorp had staan navertellen. Leek me leuk als hij dat voortaan met mijn column zou doen.
Wat ook niet is gelukt, is een reservecolumn achter de hand hebben. Daarvoor moet een reservecolumn namelijk eerst gemaakt worden. Een helse klus. In het begin probeerde ik het weleens, dan nam ik op een doodgewone dag plaats voor een leeg scherm, gewapend met een belachelijk idee, niet per se belachelijker dan gewoonlijk, prima dus, en wat er op dat soort dagen gebeurde, was dat er een spinnetje tegen me opklom, om zich heen keek, en de uren die volgden een web begon aan te leggen tussen mijn gefronste wenkbrauwen en het scherm – dat leeg bleef. Pas als de zon begon te zakken en het spinnetje helemaal klaar was, de eerste vliegjes waren al gevangen en tot sushi gemaakt, kwam ik toch nog op stoom. En jawel, tegen bedtijd begon het een aardig reservecolumnpje te worden! Met een lach en een traan! Helemaal af maakte ik de schepping niet, geen puf, maar ook dacht ik aan afbakbroodjes, die zijn nooit helemaal af, is mij opgevallen, open ruggetje dus, zo dien je ze te parkeren in het mapje: reservecolumns.
Mij kan niks overkomen. Alles zit snor. Maar dan wordt het donderdag, columndag, een zwarte bladzijde in ieders week. Wat ik altijd doe, is vloekend uit bed stappen, why me lord roepen, tering-Volkskrant, tering-Wagendorp, en erna, vanuit het Totale Mens-Principe de woonkamer kort en klein slaan, om ten slotte gemotiveerd aan het werk te gaan. Leuk.
Kijk, op normale donderdagen, zonder reservecolumn, gaat het aanvankelijk stroefjes. Harken. En na een paar uur komt Bert, met de hamer. Daarna komt het dode punt. Daarna: stagnatie. Dan lange tijd: niets.
(Hersendood.)
De kunst is dan, zonder half-affe reservecolumn in je mapje, te gaan spugen en slaan, iets met drones, gijzelsoftware, misschien yoga, en weer dóórgaan. Maar als er zo’n half-opgebouwde kies in je mapje staat, zo’n nieuwbouw-ruïne, wat je dan gegarandeerd doet is: die pakken. Ik wel, tenminste. Schaterlachend grijpen naar de reservecolumn. Bij het minste of geringste: afbakken geblazen. Waardoor je de Zwarte Donderdag erop alweer zonder reservecolumn zit.
Samen met de universiteit van Peking werk ik aan een oplossing. We denken aan een reservecolumn die meer kapot maakt dan je lief is, dat degene een rund is, die met zo’n reservecolumn stunt. Ergo een walgelijk stukje waarin iemand/minderheid/heel volk zo zwaar beledigd wordt, dat ontslag/onterving/voorlopige hechtenis het gevolg zal zijn. Maar dat je wel levert, als je ernaar grijpt, en niet chookt. (‘Choken’ is overmatig benzine toevoeren, waardoor je motor verzuipt.)
Source: Volkskrant