Ergens langs de provinciale weg N201 bij het Utrechtse dorp Mijdrecht staat een korte tweearmige windmolen. Zo eentje waarmee in de jaren zeventig veel boerderijen stroom opwekten. Het is een godswonder dat hij er nog staat. Zelfs de ontwerper ervan ontgaat het waarom hij niet is vervangen door een nieuw exemplaar dat honderd keer meer opbrengt, zoals op al die andere plekken in Nederland waar ooit zo’n boerderijmolen stond.
Dit is niet het grootste dilemma van Post65, een programma van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) waarin gebouwen, complexen en onroerende objecten uit de periode 1965-1990 een monumentale status kunnen krijgen. Maar wel illustratief voor hoe ingewikkeld de discussie rondom hedendaags erfgoed is. Als de laatste tweearmige windmolen sneuvelt, is het verhaal over energietransitie incompleet.
Over de auteur
Bob Witman schrijft sinds 1999 voor de Volkskrant over architectuur, design en grafische vormgeving.
Er zijn meer van dit soort issues. Wat wordt het lot van de Yunus Emre-moskee in Almelo uit 1974, de eerste moskee in Nederland? Wat te doen met het oude ministerie van OCW in Zoetermeer dat door bewoners als nare puist wordt ervaren, maar dat ook een belangrijk tijdsbeeld is? ‘Soms komt de waardering pas veel later. Toen de jugendstil opkwam, vonden veel mensen dat niets. Nu wordt het prachtig gevonden’, zegt Barbara Speleers, programmaleider Post65 van de Rijksdienst. En er is haast geboden. Op dit moment wordt alles wat is gebouwd na 1965 niet beschermd door de Erfgoedwet. En je kunt een gebouw maar één keer slopen.
Waar in het klassieke denken over monumenten de nadruk ligt op architectonische kwaliteit en het cultuurbelang van een gebouw, spelen in Post65 maatschappelijke verhalen een cruciale rol. Een hek bij vliegbasis Woensdrecht met sporen van vredesprotesten komt misschien wel op de groslijst van de RCE. Want nergens anders herinneren gebouwen of objecten aan het felle volksprotest tegen kernwapens. ‘Dat hek vertelt een verhaal over wat Nederland was toen. En je wilt dat verschillende tijdlagen leesbaar blijven in onze gebouwde omgeving’, zegt Speleers.
Post65 moet in 2026 resulteren in een lijst met gebouwen. Hoeveel erop staan is nog onzeker, maar staatssecretaris Gunay Uslu van Cultuur liet eerder doorschemeren dat honderd al aan de ruime kant is. Dat maakt het tot een complexe puzzel, niet alleen vanwege esthetische en sociale vragen. Ook het aantal gebouwen dat tussen 1965 en 1990 is verrezen, maakt de klus huiveringwekkend groot. Alleen al de huizenvoorraad steeg in die vijfentwintig jaar van 3,3 miljoen naar 5,9 miljoen, grotendeels terug te vinden in 23 groeikernen en overloopsteden en 152 bloemkoolwijken. Ook al zo’n lastige vraag: kan een bloemkoolwijk als geheel een monument worden?
Dat idee ligt zeker op tafel, zegt Speleers. ‘Niet alleen het iconische, ook het alledaagse krijgt aandacht. Als het maar de weerslag vormt van een karakteristieke periode in de geschiedenis.’ Dus is ook een monument voor snelwegarchitectuur een optie, gelet op de enorme investeringen in asfalt en hypermoderne verkeersknooppunten als het Prins Clausplein bij Den Haag. ‘We hebben een aantal maatschappelijke ontwikkelingen uit die periode op papier gezet, om context te geven aan de betekenis van gebouwen. Zodat je naast criteria van architectonische kwaliteit, karakteristiek voor een periode en uniciteit ook kunt wegen of een gebouw staat voor een maatschappelijke ontwikkeling.’
Zo is er aandacht voor de Koude Oorlog, migratie, jongerencultuur, meer kleinschalige stedenbouw en emancipatie en individualisering. Al die verhalen moeten aan gebouwen worden geknoopt en helpen om de keuzen te verantwoorden. Dat is nodig, want iedereen zet zich toch schrap voor het moment dat bij de staatssecretaris van Cultuur de lijst ligt met objecten die een beschermde status verdienen. Zeker is dat er heel veel niet op staat, en de erfgoedwereld kennende zal dat het nodige rumoer geven.
‘Lijstjes vind ik niet het belangrijkst’, zegt Lidwine Spoormans, specialist in nieuw erfgoed aan de faculteit van bouwkunde in Delft. Zij is niet direct betrokken bij de RCE-selectie . ‘Mijn uitgangspunt is om gebouwen in principe nooit te slopen, maar te verduurzamen en te hergebruiken. Er gaan nu veel te makkelijk gebouwen tegen de vlakte. Daarmee gaan herinneringen en geschiedenis verloren, maar ook materiaal en energie.’
Spoormans zette in 2017 de site Love 80’s architecture op, omdat het haar stoort hoe de ontwerpesthetiek uit dat decennium als lelijk wordt weggezet. ‘Ik zie juist veel kwaliteit in die tijd. Bijvoorbeeld de woningbouw, waar veel vernieuwing plaatsvond: het kleurgebruik, nieuwe plattegronden, diversere woningen.’ En de belangrijkste les voor nu: ‘Sociale woningbouw stond bovenaan de lijst van politici en architecten. Er is toen zo veel gebouwd dat fatsoenlijk, liefdevol ontworpen en betaalbaar is. Daar kunnen we een voorbeeld aan nemen.’
De woorden mooi en lelijk komen niet voor in de RCE-criteria. Wel speelt lokaal draagvlak voor een gebouw een rol. ‘Als je een gebouw op de lijst zet, moet er perspectief zijn dat het ook behouden kan blijven.’ De monumentstatus gaat niet automatisch gepaard met een zak rijksgeld. Als Terneuzen zijn brutalistische stadhuis uit 1972 van architect Jaap Bakema wil behouden, dan maakt het uit of de gemeenschap bijdraagt om het gebouw in stand te houden. Uit onderzoek van de Provinciale Zeeuwse Courant bleek dat de helft van de bevolking er weinig mee heeft. Terwijl veel experts het ondenkbaar vinden dat dit pure voorbeeld van Nederlands brutalisme verdwijnt.
De Rijksdienst zegt dat er een breed scala aan opinies wordt opgehaald bij experts en burgers. Gemeenten krijgen de kans om te vertellen hoe zij naar hun jonge erfgoed kijken. ‘Dit is geen van bovenaf gestuurd aanwijzingsproces’, zegt Speleers. Er zijn scouts van de erfgoedvereniging Heemschut en Nederlandse Tuinen Stichting actief om bijzondere projecten aan te dragen. ‘Er is gewoon heel veel. En wij weten natuurlijk niet alles.’
Categorie: stadsuitbreiding
Typologie: woonerf
Oordeel: amazing
Het klassieke blauwe woonerfbordje vormt voor architect en stedenbouwkundige Dick van Gameren nog altijd de essentie van wat deze jarenzeventigwijk zo goed maakt. Een wandelend persoon, een kind met bal, huis en tot slot een auto op de achtergrond. ‘Gedeelde openbare ruimte, waar voetgangers voorrang krijgen en de auto te gast is. Het zijn leefbare, vernieuwende wijken, waar stedenbouwers nog steeds een voorbeeld aan kunnen nemen’, vindt Van Gameren, die als hoogleraar bouwkunde aan de TU Delft meerdere keren heeft gepleit voor herwaardering van het woonerf.
De bloemkoolwijk was al snel de spotnaam voor dit concept, vanwege het grillige stratenpatroon dat visite van buiten meestal radeloos naar het juiste adres deed zoeken. ‘Wij woonden op hofje 34 huisje 27, maar dat kon niemand vinden’, zegt schrijver Joris van Casteren die over zijn moeizame woonerfjeugd het veelgeprezen boek Lelystad schreef. Dat moeizame lag overigens minder aan de architectuur van het woonerf, dan aan een weerbarstige volkse mix van bewoners die niet geheel uit vrije wil in Lelystad terechtkwam.
De vader van het woonerf is stedenbouwkundige Niek de Boer (1924-2016), die eind jaren zestig in Emmen voor het eerst een wijk ontwierp gebaseerd op een boerenerf met veel groen en gedeelde (autoluwe) openbare ruimte rondom verspreid liggende eengezinswoningen. Er waren geen doorgaande wegen, er was alleen spaarzaam bestemmingsverkeer. Dat was innovatief, volgens Van Gameren. De traditionele plattegrond van de gezinswoning werd op zijn kop gezet. De keuken en berging zaten aan straatkant, de zitkamer aan de tuin, die grensde aan het openbaar groen achter. In die gedeelde open ruimte moest de cohesie in de buurt ontstaan.
Dat lukte niet altijd. Achter het huis waarin Van Casteren opgroeide, stond een bankje dat grensde aan de tuin. Kon de buurt een beetje mengen. Maar de lawaaiigste wijkbewoners claimden de plek al snel permanent en scholden de vriendin van zijn moeder uit:
‘In de zomer sleepten Hansie en de vader van Richard Rook kratjes pils naar buiten. Rond het bankje werd tuinmeubilair opgesteld, vrienden en kennissen stroomden toe. Met haar rieten mandje vol biologische geitenkaas durfde Gemma er niet goed langs. ‘Lesbische pot,’ riepen ze op een keer.’ (Fragment uit Lelystad.)
In de architectuurwereld kreeg het woonerf al snel het predikaat ‘De Nieuwe Truttigheid’. Onterecht, vindt Van Gameren, die het klassieke woonerf wel op de monumentenlijst ziet komen. Misschien niet die van Lelystad, maar wel de Krekenbuurt in Zwolle, of de Vier Vierkanten in Alkmaar. ‘Ik gebruik foto’s van deze twee wijken vaak op gastlessen aan Harvard in de VS. Amazing, is meestal de reactie. Soms onderschatten wij ons eigen erfgoed.’
Categorie: infrastructuur
Typologie: sterknooppunt
Oordeel: monument voor parallel universum
Het Prins Clausplein, waar de snelwegen A12 en A4 elkaar kruisen bij Den Haag, was de achtertuin van kunstenaar Melle Smets. Hij groeide op in Voorburg en kende de oude paden die naar verdwenen tuinderijen leidden. Dat kwam goed van pas toen hij in 1999 in het kader van een kunstproject drie dagen lang illegaal in een Dafje op het middentalud kampeerde. ‘Ondanks de aanwezigheid van duizenden auto’s is het een totaal niemandsland. Een parallel universum, dat niet echt bestaat.’ De politie die hem moest wegsturen, had d Source: Volkskrant