Als ik een relatietherapeut was, zou ik – behalve niet zo’n goede zijn – mijn cliënten op het hart willen drukken elkaar zo min mogelijk weet-jij-vragen te stellen. Weet-jij-vragen zijn informatieve vragen die de steller meestal zelf ook wel kan beantwoorden, door even iets langer na te denken, of anders door een snelle blik op de telefoon.
Een voorbeeld. Het was zaterdag, ergens aan het einde van de middag en ik vertelde mijn vrouw dat we door vrienden waren uitgenodigd om op 5 mei bij ze te komen eten.
‘Wat voor dag is dat?’, vroeg ze.
‘Nou gewoon’, antwoordde ik, ‘5 mei. De dag dat het 5 mei is.’
Dat was niet aardig van me. Ter verdediging, het was niet de eerste weet-jij-vraag die dag. ’s Ochtends hadden we een huis bezichtigd en daarna waren we doorgereden naar een speeltuin in de buurt (voor onze dochters, niet voor ons). Die speeltuin bleek gesloten.
‘Zijn er nog andere speeltuinen hier in de buurt?’, vroeg mijn vrouw me. Geen idee, ik kende de buurt niet. Daarna waren er nog een paar weet-jij-vragen. Ik weet niet meer hoeveel of welke, maar het waren er precies genoeg om uiteindelijk mijn antwoord op de 5-meivraag te rechtvaardigen.
‘Ik snap niet waarom je dit zo irritant vindt’, zei mijn vrouw, nadat ik duidelijk had gemaakt dat het loket de rest van de dag gesloten zou blijven. Ik eigenlijk ook niet. Temeer omdat ik zelf ook zo graag en kwistig weet-jij-vragen stel.
Het antwoord is volgens mij tweeledig. Allereerst ben ik onmogelijk om mee samen te leven. Daarnaast heb ik het vermoeden dat het beantwoorden van weet-jij-vragen met hetzelfde stukje hersenen gebeurt dat zich ook bezighoudt met werk, het draaiend houden van een gezin met twee kleine kinderen en het eindeloos peinzen over het leven. Daarom probeer ik dat gedeelte van mijn hersenen zo veel mogelijk te ontzien en het niet te storen met de vraag hoeveel inwoners Haarlem heeft. Wellicht is dat de verklaring.
(Ik zou dus ook een beroerde kandidaat zijn voor De slimste mens.
‘Julien, wat weet jij van Craig David?’
‘Kom op, Philip. Google anders zelf even.’)
‘Maar’, zei mijn vrouw, ‘je kunt toch ook gewoon zeggen: dat weet ik niet?’
Dat weet ik niet. Het zou kunnen, maar zo simpel is het niet. Ik wil de vragensteller niet teleurstellen. Bovendien: hoe vaak kun je van je partner ‘ik weet het niet’ horen voordat je uiteindelijk zegt: ‘Wat weet jij eigenlijk wel?’ En dan zijn de rapen pas goed gaar.
Daarom zou ik mijn cliënten willen adviseren elkaar niet meer dan vier weet-jij-vragen per dag te stellen.
‘Waarom vier en niet vijf of negen?’
Dat weet ik niet. Ik had ook al gezegd dat ik geen goede relatietherapeut zou zijn.
Het is trouwens een vrijdag.
Source: Volkskrant