Stel je voor, Sneeuwwitje met rood haar. Had zomaar gekund. Met een gouden kroontje en roze appelwangen, in plaats van de beroemde roomwitte teint. Op een kleurpotloodtekening in zacht pastel kijkt deze pittige voorganger van de naïeve prinses uit 1937 ons uitdagend aan.
Of Sneeuwwitje als blondine? Zie de vroege schets waarop ze ligt te slapen met de nieuwsgierige dwergen om zich heen, de blonde, lange lokken golvend over het kussen. ‘Een kindje, met een huid zo wit als sneeuw, lippen zo rood als bloed, en haren zo... goud als grenenhout?
Ook een optie: Sneeuwwitje met schalkse Betty Boop-blik en een pin-upachtige pruillip. Een sexy Sneeuwwitje, nu onvoorstelbaar. Maar al die opties zijn ooit de revue gepasseerd en al deze vroege voorlopers zijn nu te zien op de expositie Disney – Telling Timeless Stories in Forum Groningen.
Deze internationaal reizende tentoonstelling biedt een kijkje in het archief van de Walt Disney Animation Research Library. Dit studiecentrum van Walt Disney Studios in Burbank (Californië) herbergt zo’n 65 miljoen originele tekeningen, schetsen, achtergrondschilderijen en storyboards van circa 1920 tot nu. Het archief wordt vaak door Disneytekenaars geraadpleegd als inspiratiebron, maar heeft geen museale functie en is niet toegankelijk voor het publiek.
In het jaar dat Walt Disney Animation Studios honderd jaar bestaat – Walt en zijn broer Roy richtten de studio op in oktober 1923 – maakt de Research Library nu een klein deel van zijn reusachtige archief openbaar toegankelijk. In Groningen zijn op 1.000 vierkante meter, verdeeld over twee verdiepingen, ruim driehonderd originele schetsen, schilderijen en concept- en animatietekeningen uit het archief te zien, afgewisseld met video’s en filmfragmenten.
De opzet is inzicht bieden in de oorsprong en ontwikkeling van al die tijdloze tekenfilms. Want achter het bekende en geliefde resultaat gaat – onzichtbaar – jarenlang artistiek onderzoekswerk schuil. Hier wordt nu eens dat hele proces getoond, van tekst naar schets en van schets naar scherm.
Dat levert een verrassend studieuze en onopgesmukte expositie op – al is het onderwerp kleurrijk genoeg. Hier in elk geval geen Disney on Ice-gevoel met manshoge mascottes in Mickey-kostuum en It’s a Small World uit de speakers. Ook het aandeel film, video en technische visuele foefjes is bescheiden. Op grotemensenhoogte tref je vooral veel ingelijste tekeningen, schetsen en schilderijen aan, aquarellen en gouaches op illustratiekarton, en tekeningen in grafiet, inkt of kleurpotlood op papier. Iets daaronder, op kinderhoogte, is er de interactieve Japie Krekel-route, waar de kleinere bezoeker wordt uitgedaagd om zelf actief met een verhaal, personages en een ‘storyboard’ aan de slag te gaan.
De collectie is opgedeeld op basis van de klassieke bronnen waaraan Disney veel van zijn verhalen ontleende: mythen, fabels, legenden, tall tales (Amerikaanse koloniale folklore) en sprookjes.
Al direct bij aanvang dienen zich verschillende verrassingen aan: hoezeer Walt Disney zich liet inspireren door Europese legenden en folklore bijvoorbeeld, en door invloedrijke kunststromingen als surrealisme, kubisme en art deco. Maar ook: hoe interessant de bronnen van de films waren en hoe grondig de soms decennialange research. Klassieke Griekse en Romeinse mythen, zoals beschreven door Homerus, Euripides, Ovidius en Vergilius, stonden bijvoorbeeld aan de basis van een aantal Silly Symphonies (1929-1939), en van het ‘Pastorale’-deel uit Fantasia (1940).
Duikt de expositie eerst even kort in de herkomst en inhoud van deze mythen, daarna volgt een kleurrijk inkijkje in het artistieke proces dat faun, centaur of halfgod van schets naar scherm sluist. En soms: van een gedurfd concept naar een veilige kinderfilmversie.
Zo zijn de fluitspelende, dansende faunen in de concepttekening van de Pastorale hoekiger en scherper dan hun vriendelijke, zuurstokkleurige versies in de film. Een subtiel aquarel in pastel maakt plaats voor een bont snoepwinkelpalet; lichaamsvormen worden zachter en ronder, ogen groter en onschuldiger – eigenlijk krijgt elk figuurtje bij Disney de gelaatstrekken van een baby.
Al struinend langs de schetsen zie je zo de schattigheid en aantrekkingskracht toenemen, maar soms ook de angel uit de animaties verdwijnen. De babymake-over verklaart ongetwijfeld Disneys blijvende populariteit, maar het is ook een beetje als eten in angel een een hotel: als elke gast het lekker moet vinden, verdwijnen als vanzelf de peper en pit.
Toch is het verheugend dat er bij Disney in dit voortraject een durf en originaliteit schuilen die niet onderdoen voor de lef en scherpte die vanouds meer met Pixar (inmiddels onderdeel van Disney) worden geassocieerd. O kijk, een mollige, blozende Bacchus in innige omhelzing met een dartel eenhoornveulen.
Illustratief voor dit traject, van eigenwijze illustratie tot ontwapenende Disneyheld, is de transformatie van de Griekse halfgod Hercules voor de film uit 1997. Zijn de achtergronden hier Dalí-achtige droomwerelden in zonnegeel en hemelpaars, voor het ontwerp van de personages werkte Disney Studios samen met de Britse cartoonist Gerald Scarfe, onder meer bekend van zijn verontrustende animaties voor de Pink Floyd-film The Wall, met marcherende hamers en kinderen die de gehaktmolen ingaan. Zijn werk, vooral als politiek cartoonist, is grof, vilein en niet zelden seksueel getint – op het eerste gezicht bepaald geen Disney-materiaal.
Scarfe ontwierp een Disneyheld zoals je die nooit zag: opgetrokken uit één eigenwijze, vloeiende inktlijn. Een man met een tonvormige torso, een weke kin en dunne beentjes, lui achterover leunend op zijn vliegende paard. Met de soepele beweging van de paardenvleugels weet Scarfe een groot gevoel van vaart te suggereren. Pegasus het paard heeft blinde ogen en een nijdige trek om zijn mond. Man en paard laten in hun kielzog nog wat verdwaasde vogels achter.
Volgende schets: een toelichting van Disney-tekenaar Sue Nichols over hoe de Hercules van Scarfe meer een Disneyheld kan worden: ‘Mixin’ Disney + Scarfe’. De uitdaging, zo staat te lezen, is deze wat karikaturale Hercules aanzienlijk te verzachten, zonder daarbij de levendigheid van Scarfes ontwerp te verliezen. Je zou kunnen stellen dat dat is gelukt: Hercules is ook na zijn Disney-make-over een behoorlijk hoekige held gebleven. Scarfes boosaardige onderwereldgod Hades, met zwarte cape en brandend haar, bleef in de film zelfs nog beter overeind. Maar bij de slechteriken heeft Disney zich altijd meer gekte en venijn gepermitteerd.
Over slechteriken gesproken: heerlijk hoe goed je hier kunt zien dat de Boze Koningin uit Sneeuwwitje is gemodelleerd naar tijdgenoot Joan Crawford, met haar gekalligrafeerde wenkbrauwen en hautaine blik.
De expositie maakt daarnaast op een vrolijke manier inzichtelijk hoezeer Disney-tekenaars ook elkaar sterk beïnvloeden. De dartele, diervriendelijke lentegodin Persephone uit The Goddess of Spring (1934) lijkt in alles een vroege voorstudie van Sneeuwwitje, en de dappere personages (konijn, vos, wolf) uit het recente Zootopia (2016) zijn zichtbaar geïnspireerd op de menselijke dierfiguren uit Robin Hood (1973).
Leuk detail in de Robin Hood-hoek: de slordige pentekening waarop jonkvrouw Marianne de wanted-posters van dief Robin in haar slaapkamer heeft hangen, zoals een hedendaagse tiener de posters van haar K-popidool.
Op de sprookjesafdeling wordt stilgestaan bij de metamorfose van de arme Assepoester tot mysterieuze prinses op het bal, met betoverde jurk en al – in 1950 een hoogstandje van modern animatievernuft van tekenaar George Rowley en technicus Marc Davis. Maar ondanks de toegenomen mogelijkheden van computeranimatie keken de tekenaars van Frozen (2014) de kunst van de prinsessentransformatie toch vooral bij hun voorgangers af.
Kijk nog maar eens naar die legendarische scène, als Elsa in haar gloednieuwe art-deco-ijspaleis eindelijk alleen is met haar kille superkracht, en onder het zingen van powerballad Let It Go in luttele seconden verandert van een getroebleerde prinses in een extravagante ijskoningin in fonkelende avondjurk. Onvergetelijke moderne Disneyhistorie die zelfbewust put uit de eigen geschiedenis.
Terecht is hier dan ook veel ruimte ingericht voor het werk van Mary Blair, betrokken bij Cinderella en actief bij Disney in de jaren veertig, vijftig en zestig. Nieuwe tekenaars anno nu komen in de Research Library nog altijd gretig haar grensverleggende werk vol primaire kleuren voor onder meer Alice in Wonderland en Peter Pan bestuderen.
Directe volgelingen van Blairs kleurenpalet lijken in elk geval de tekenaars die verantwoordelijk zijn voor de landschappen en achtergronden in The Princess and the Frog (2009), waaraan op de expositie veel aandacht wordt besteed.
De concepttekeningen en background paintings van James Finch, Kelly McGraw, Armand Baltazar en Bill Schwab zijn ronduit betoverend, dankzij het spel met licht en zonsondergang, met perzikroze wolken boven donker spiegelend water, de gele bakovenhitte van de namiddagzon in New Orleans of de fraaie koloniale huizen met hun filigreinbalkons die weldadig baden in het strijklicht. Dit alles naast rokerige jazzclubs en het swingende neon van een nachtelijk voodooritueel dat we kennen uit de film.
En wat te denken van de diepgevroren toverwereld van Arendelle, het thuisland van Elsa in Frozen? Heerlijk hoe deze expositie je attendeert op details die anders zelfs de groot Source: Volkskrant