In de oude buizengieterij in Velsen-Noord van de Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken NV, sinds 2007 bekend onder de naam Tata Steel, dwalen Jan de Ridder (73) en Erik Holshuijsen (62) langs relicten uit hun eigen verleden. De Hoogovenmannen staan stil bij een nagebouwde Koudwals 21 en een reeks PDP’s, computers uit de jaren zeventig en tachtig. ‘Heb ik ook nog mee gewerkt.’
De buizengieterij is omgevormd tot een museum waar de geschiedenis van de staalgigant (opgericht in 1918) wordt getoond, met foto’s, documenten en vreemdsoortige (en voor buitenstaanders onbegrijpelijke) objecten. Trotse vrijwilligers, oud-werknemers, staan paraat om het publiek te ontvangen, enigszins gespannen vanwege de ongewoon grote toestroom.
Over de auteur
Paul Onkenhout werkt sinds 1990 voor de Volkskrant. Hij schrijft over media, muziek en voetbal.
Vanavond is de eerste try-out te zien van een voorstelling van De Vlammende Eend over Tata, Onder de rook van de Hoogovens. De schrijver, Christine Otten, zit op de eerste rij. De toeschouwers wordt ‘een onstuimig familiedrama’ in het vooruitzicht gesteld, in het hart van een bedrijf dat de laatste jaren steeds meer weerstand en protesten oproept – niet alleen meer in het nabije kustdorp Wijk aan Zee.
De aanjager van het maatschappelijke debat wordt in het museum getoond, voor wie aandachtig zoekt. In een hoekje hangt een duister affiche, ‘Tata onder vuur’, waarop het andere gezicht van het bedrijf wordt getoond: dat van de grote vervuiler.
Op het affiche wordt melding gemaakt van onderzoeken van het RIVM die uitwezen dat in het haar van kinderen uit de omgeving ‘zorgwekkend veel’ metaal werd aangetroffen en dat longkanker ‘rondom de fabriek’ het meest voorkomt. ‘Er blijkt zelfs metaal in speeltuinen te liggen. Tata maakt ze zelfs dagelijks schoon.’ Een toevoeging: ‘Het bedrijf zelf zegt overigens alles volgens de regels te doen.’
Jan de Ridder en Erik Holshuijsen zijn volbloed Hoogovenmannen, zoals zovelen in deze regio. Hun vaders werkten bij de Hoogovens. Allebei stroomden ze na de middelbare school door naar de bedrijfsschool. Hun werkzame leven bij de staalfabriek omvat voor beiden meer dan vier decennia, in diverse functies en op diverse plekken.
Ze wonen al hun hele leven onder de rook van de Hoogovens, in Beverwijk en Heemskerk. Holshuijsen werkt nog steeds bij het voormalige staatsbedrijf, halftijds als technicus bij de storingsdienst, en nog steeds met ‘veel plezier’. De Ridder is gepensioneerd, na een loopbaan van 46 jaar waarin hij zichzelf gestaag omhoog werkte en eindigde in de automatisering. Nog steeds heeft hij een band met het bedrijf, als lid van het ‘verantwoordingsorgaan’ van het pensioenfonds.
De muzikale voorstelling in de oude buitengieterij is ook hún verhaal, zo blijkt, om meerdere redenen. Het stuk gaat over arbeiders die warme gevoelens hebben voor hun bedrijf, en over de strijd van de arbeidersklasse. Maar ook over de komst van ‘gastarbeiders’, de vervuiling en de gezondheidsrisico’s, de opkomst van een protestgeneratie en de rol die Tata de laatste jaren in het publieke debat, talkshows en de Tweede Kamer heeft gekregen: die van het grote kwaad.
De thema’s komen samen in een familiegeschiedenis die loopt van de komst naar de IJmond van een Turks-Koerdische gastarbeider tot de rebellie van een kleinzoon. Onder de rook van de Hoogovens is daarnaast ook een pleidooi voor verbinding in een verhit debat dat voortdurend ontspoort, en een poging om de verschillende kampen te verzoenen.
De Ridder en Holshuijsen zijn enthousiast. ‘Héél herkenbaar’, zeggen ze na de voorstelling opgetogen tegen Christine Otten, de schrijver van het stuk. Zij is opgelucht, de mannen ook. In Onder de rook van de Hoogovens is Tata meer dan het grote kwaad en worden uiteenlopende perspectieven getoond.
Otten (61) is verheugd over de uitwerking van haar tekst door De Vlammende Eend. Met de Gevangenis Monologen (2017) schreef ze al eens eerder een stuk dat was gebaseerd op persoonlijke verhalen. De aanzet tot Onder de rook van de Hoogovens werd gegeven tijdens een wandeling in coronatijd op een van de meest tot de verbeelding sprekende plekken in de omgeving van Tata, het beeldenpark Een Zee van Staal.
Otten was daar samen met haar dochter Tina Krikke en Alev Kutluer, twee jonge vrouwen die zich met De Vlammende Eend toeleggen op het maken van ‘persoonlijke voorstellingen over grote onderwerpen’. De duinen rondom het beeldenpark bieden een magistraal uitzicht op Wijk aan Zee, de zee, de schijnbaar ongerepte natuur en – een enorm contrast – de staalfabriek, een dystopisch en tegelijkertijd aantrekkelijk, kilometerslang terrein met fabrieken, schoorsteenpijpen, bergen kolen en erts en bij tijd en wijle kolossale rookwolken.
‘Het klinkt pathetisch, maar het idee kwam meteen tot ons’, zegt Otten. ‘Wat je daar ziet, ís dramatisch. De locatie alleen al is theater.’
Het historische perspectief zag ze onmiddellijk. ‘Als Tata niet meer bestaat, weet niemand meer wat er hier allemaal is gebeurd; de strijd van de arbeiders en wat ze hebben bevochten. Dat was het beginidee.’ Het moest een voorstelling op locatie worden, bedachten de drie vrouwen ook, bezien vanuit het perspectief van de werknemers.
Geluk hadden ze ook: ‘Een voorstelling over Tata werd door de oplaaiende milieustrijd steeds actueler. We zagen daar al wat er zou gaan gebeuren: het debat ging ontsporen.’
De research van de drie vrouwen was omvangrijk. Otten bezocht de meest omstreden fabriek, Kooks 2. Er werd gesproken met (oud-)werknemers en hun kinderen, politici, milieuactivisten, vakbondsmensen en vrouwen die vroeger bij de Hoogovens in de zogenaamde ‘maagdenhal’ werkten – als ze trouwden, moesten ze opkrassen.
Hun verhalen, levendig samengevat in de voorstelling, komen Jan de Ridder en Erik Holshuijsen bekend voor, inclusief de discussies in eigen kring, de liefde voor de staalfabriek en de gemengde gevoelens.
De dochter van de jongste Hoogovenman, schrijver Malou Holshuijsen, bracht eerder dit jaar in de podcast Schotschrift haar eigen tweestrijd onder woorden. Haar vader Erik begon in 1979 met een vakantiebaantje ‘bij de koudband’ en was instrumentmaker en meet- en regeltechnicus.
Het is 1992 en ik ben 5. Terwijl de rook uit de hoge pijpen kruipt en opgaat in de zilte zeelucht van Wijk aan Zee, schrijf ik mijn naam op de achterkant van de witte auto van mijn ouders. Het ligt aan de wind, zo heb ik me laten vertellen. Staat de wind onze kant op, dan dwarrelt er zo nu en dan wat fijnstof uit over ons dorp. Het zijn de Hoogovens, je weet wel; de trots van de IJmond en tevens de fabriek waar mijn vader werkt. En niet alleen mijn vader, allebei mijn opa’s en de helft van de mensen in de straat werken of hebben gewerkt bij de Hoogovens, in de tegenwoordige tijd: Tata Steel, in de volksmond: de longkankerfabriek.
Ze verkeert in dubio, als dochter uit een Hoogovengezin. Terwijl ze overweegt om zich aan te sluiten bij Extinction Rebellion, om sluiting van Tata Steel af te dwingen, demonstreert haar vader voor een tegengesteld doel, het voortbestaan van de staalfabriek.
Niet omdat hij niet gelooft in gezondheidsklachten als longkanker, hart- en vaatziekten, ontwikkelingsstoornissen bij met name jonge kinderen – nee, nee. Hij weet hoe giftig, hij weet hoe gesjoemel, hij weet hoeveel te laat vergroenen, hij weet wat kanker is. Maar als de fabriek morgen sluit zonder dat óns stalen consumptiepatroon is aangepast, betekent dit dat we het probleem niet oplossen maar de grens over duwen – en ze in Rusland of in China hun namen op witte auto’s zullen schrijven.
De reactie van Erik Holshuijsen: ‘Goeie tekst.’
Jan de Ridder: ‘Behalve die opmerking over Tata als longkankerfabriek. Nooit eerder gehoord en ik ben het daar totaal niet mee eens.’
Holshuijsen en De Ridder vertellen hun verhaal in een café-restaurant aan de Noordpier in Wijk aan Zee. De zee en het strand zijn nabij, Tata ook. Als ze de trap naar de uitzichttoren beklimmen, houden ze de leuning vast – een dwingend voorschrift van de staalfabriek dat ze overal automatisch opvolgen. Eenstemmig: ‘Veiligheid.’
Boven wacht ook hier een magnifiek zicht op wat is uitgegroeid tot een twistpunt in de samenleving, een gigant met ooit bijna 25 duizend arbeidsplaatsen. Het aantal werknemers is in de loop der jaren met tweederde teruggebracht. Als gidsen op afstand wijzen Holshuijsen en De Ridder op de buitenhaven van Tata, een blustoren van Kooksfabriek 1, kranen, hoogovens en Koudband 1. De meest omstreden en vervuilende fabriek, Kooks 2, is net niet zichtbaar.
In maart waren ze in het Amsterdamse theater Frascati getuige van een ‘onderzoeksavond’ over Tata van twee andere theatermakers, Anoek Nuyens en Rebekka de Wit. Het was een voorproefje van een voorstelling die in 2024 gestalte moet krijgen. Nuyens en De Wit maakten eerder de veelgeprezen voorstelling De zaak Shell, waarin de klimaatcrisis centraal stond (bekroond met de Regieprijs 2021 en de Arlecchino 2021).
Vier avonden, in Rotterdam en Amsterdam, deed Nuyens in maart een eerste poging om het verhaal van Tata te vertellen. Ze probeerde teksten uit en werd terzijde gestaan door Jacob Derwig, in een rol van welbespraakte, bevlogen politicus. De toon in de monoloog van Nuyens over Tata was hard.
‘Er speelt zich een tragedie af op 39 minuten rijden van dit theater’, zei ze Source: Volkskrant