In 1981 bezocht de Nederlandse fotograaf Bertien van Manen de Tsjechische stad Most, althans wat er van over was. In 1964 had de communistische regering van Tsjechoslowakije besloten dat de mijnindustrie hier vrij baan zou krijgen. De sloop van een middeleeuwse stad (met een brouwerij uit 1470) was de prijs die betaald moest worden voor het draaiend houden van de zware industrie.
Van Manen fotografeerde de inmiddels deels gesloopte stad als een oorlogsgebied. Het is moeilijk om niet aan een kapotgebombardeerde stad te denken als je naar de geblakerde ruïnes en de dode bomen kijkt. Op een van de gebouwen zien we in witgeschilderde letters een ogenschijnlijk raadselachtige tekst in het Duits staan: Wir kapitulieren nie! (wij geven ons nooit over).
De foto’s uit Most zijn op wandformaat uitvergroot op de fraaie nieuwe tentoonstelling Gluckauf in Museum Schunck in Heerlen, waar de geschiedenis van het mijngebied nooit ver weg is. De samenstellers van de expositie hebben een theorie ontwikkeld over deze tekst. Most moet het perfecte decor zijn geweest voor een van de vele Sovjet-propagandafilms waarin de moed van het heroïsche Rode Leger in hun strijd tegen de nazi’s werd bezongen. De kapotgeschoten oude stad werd panklaar aangeleverd, met wat nazi-streetart om de historische setting te ondersteunen.
Bertien van Manen, die in 2019 nog een groot retrospectief in het Stedelijk Museum Amsterdam had (Beyond the Image: Bertien van Manen & Friends) heeft met Gluckauf, met samensteller Hans Gremmen, een expositie en een gelijknamig boek gemaakt over haar werk in verschillende mijngemeenschappen over de hele wereld. Behalve uit Most is er werk te zien uit het Britse Yorkshire (eind jaren zeventig), uit de Appalachen in Kentucky en West-Virgina (jaren tachtig) en het stadje Apanas (jaren negentig) in het Siberische steenkoolwinningsgebied Koezbass. ‘Gluckauf’ verwijst naar de traditionele mijnwerkersgroet waarmee men elkaar een veilige terugkeer naar het zonlicht toewenste.
Die foto’s uit Most zijn de uitzonderingen binnen een oeuvre dat zich vooral op het intieme leven van families lijkt te richten, met een nadruk op de rol van vrouwen en meisjes, die niet alleen wachten op de thuiskomst van vaders en broers, maar vanaf de jaren zeventig steeds meer opkomen voor gelijke rechten. Ook het recht om zelf de mijn in te gaan.
Maar het verhaal begint in Heerlen, het bloeiende centrum van de Zuid-Limburgse mijnindustrie in de 20ste eeuw, inmiddels geschiedenis. Bertien van Manen (81), geboren in Den Haag, groeide op in Heerlen als dochter van een mijningenieur. ‘Ik kan terugverlangen naar die tijd’, zegt ze over de telefoon. De dochter van de ingenieur kwam uit een ander milieu dan de kinderen van de mijnwerkers met wie ze in de klas zat, maar toch kan ze zich een minderwaardigheidscomplex herinneren. ‘Ik wilde ook een slobberbroek en een strik in mijn haar.’ Maar haar moeder vond dat vulgair en de jonge Bertien werd gestoken in chique outfits van De Bonneterie in Den Haag. Het is vooral de herinnering aan de ‘gezelligheid, warmte en gastvrijheid’ bij haar schoolvriendinnen thuis die ze haar hele leven zou meedragen.
Tegen schrijver Marcia Luyten, die de mijnbouwkroniek Het geluk van Limburg en het nawoord van de catalogus bij haar tentoonstelling schreef, verwoordde Van Manen haar verlangen en jeugdige frustratie zo: ‘Ik wilde dat mijn vader ook een mijnwerker was’. Het is misschien te simplistisch, vindt ze zelf in ieder geval, om haar intieme portretten van (ex)mijnwerkersfamilies, de kern van haar werk toch, te zien als een zoektocht naar de intimiteit die ze wellicht van huis uit miste. ‘Ik verlangde als kind wel naar warmte en fysieke affectie.’ Maar het is misschien meer het levenslang zoeken naar die atmosfeer geweest, die ook haar manier van werken diep beïnvloed heeft. Dat je mensen echt moest leren kennen en hun taal moest spreken om aan tafel te worden uitgenodigd. En dat je dan de kern van die levens raakt op een moment dat je als het ware onderdeel van een familie of gemeenschap bent geworden.
Daarover gesproken: ze is nu al bij al een half jaar redelijk op zichzelf teruggeworpen. Een naar ongeluk werd gevolgd door een lange periode van revalidatie en herstel. ‘Het is bijzonder moeilijk’, zegt ze. ‘Met name de afhankelijkheid van anderen is heel lastig.’ Je voelt dat dit een understatement is. Ze zit met met haar been omhoog, nu bij haar broer in Brabant. Ze kon de opening van haar tentoonstelling in Heerlen in een rolstoel meemaken, maar ja, dan zit je zo laag en ‘word je omringd door reuzen’. Natuurlijk, er was voortdurend overleg met Hans Gremmen, vormgever en samensteller van boek en tentoonstelling, maar vaak op afstand. En waar ze er in haar leven weinig last van had, voelde ze nu jaloezie dat ze er niet steeds bij kon zijn.
Er vielen haar een paar dingen op nu ze weer samen met Gremmen door haar omvangrijke archief ging. ‘Ik was verbaasd en trots om te zien hoe goed ik vroeger afdrukte in mijn eigen doka.’ Het zijn beelden waar nog steeds weinig op aan te merken is. En het is haar inmiddels duidelijk dat ze altijd op zoek is naar beelden die met haar zelf te maken hebben. Ze kreeg ooit de prestigieuze opdracht van het Rijksmuseum Amsterdam in de reeks Document Nederland om de vrouwenbeweging vast te leggen. ‘Ik heb zo geploeterd en gezwoegd’. Moest de conclusie niet zijn dat ze zich bij een dergelijke opdracht gewoon niet vrij voelt?
Ze heeft altijd, voor zover mogelijk, contact gehouden met de families waar ze tijdelijk woonde en waarvan ze het leven vastlegde. Er is de laatste jaren, en zeker sinds de Russische inval in Oekraïne, een angstwekkende nieuwe realiteit ontstaan. ‘Veel van mijn oude Russische vrienden zijn voor Poetin. Ze horen niets anders dan propaganda, heel griezelig. Het resultaat is dat ik niet meer met ze kan praten. En dat families uit elkaar vallen.’
Ze valt even stil. En roept verrast: ‘O! Er komt hier een wild hert door de tuin voorbij rennen.’
Bertien van Manen, Gluckauf, in Schunck Glaspaleis in Heerlen t/m 3 september. Het gelijknamige boek is verschenen bij Fw: Books (€ 46). In de expositie is ook de korte versie van de documentaire Let’s Sit Down Before We Leave van Michael Pilz uit 1995 te zien, waarin Van Manen tijdens haar werk in Siberië wordt gevolgd.
Het Schunck Museum in Heerlen is gevestigd in het Glaspaleis, ooit een belangrijke vestiging van warenhuis Schunck. Het modernistische gebouw van architect Frits Peutz uit 1935 is inmiddels een rijksmonument en uitgeroepen tot een van de duizend meest invloedrijke gebouwen van de 20ste eeuw. Na een dreigende sloop werd de renovatie uitbesteed aan architecten Wiel Arets en Jo Coenen.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden