Home

Een dag uit het leven van een jeugdbeschermer die wel tijd heeft voor haar cliënten: ‘Het loont om eens met een moeder mee te gaan naar haar therapeut’

Voortdurend onder druk staan om van de ene naar de andere spoedeisende situatie te rennen. Zo beleefde Ilona Simons (33) haar werk toen ze zo’n zeven jaar geleden als jeugdbeschermer begon. ‘Als ik een tijdje niets hoorde van een gezin dat ik begeleidde, hoopte ik maar dat het goed ging’, zegt ze. ‘Ik had mijn handen vol aan het blussen van brandjes.’

Toen had Simons vaak zo’n zestien gezinnen onder haar hoede, met kinderen die door de rechter onder toezicht van jeugdbescherming waren geplaatst, omdat hun ouders niet goed voor ze konden zorgen. Maar zo’n vijf jaar geleden is dat veranderd. Haar werkgever, Jeugdbescherming Regio Amsterdam, maakte nieuwe afspraken met de gemeenten in de regio Amsterdam, de Zaanstreek en West-Friesland om de ervaren werkdruk te verminderen. Een jeugdbeschermer mag zich er sindsdien met niet meer dan tien gezinnen (met gemiddeld 1,8 kind) bezighouden. Het stellen van zo’n maximum was volgens de organisatie nodig omdat de jeugdbeschermers hun werkplezier verloren doordat ze tijd te kort kwamen om de kinderen en de ouders naar behoren te helpen.

Nu ze minder gezinnen begeleidt, kan Simons meer de tijd nemen. Ze zit bijvoorbeeld soms wat langer op de bank met ouders. ‘Dat geeft me ruimte om goed naar ze te luisteren en de kinderen echt te zien.’ Ze weet: zo’n diepgaander gesprek laat een jeugdbeschermer noodgedwongen het eerst vallen als de tijd knelt.

Het Noord-Hollandse gebied loopt voorop met het afbouwen van de zogenoemde ‘caseload’ van jeugdbeschermers. Andere regio’s gaan dit voorbeeld volgen. Na maandenlange acties van de jeugdbeschermers tegen de te hoge werkdruk is de vakbond FNV met de jeugdbeschermingsorganisaties tot een akkoord gekomen. Het aantal kinderen met een ondertoezichtstelling per jeugdbeschermer moet verminderen tot uiteindelijk twaalf; nu zijn er die het dubbele aantal begeleiden. Vanaf mei, zo is de bedoeling, krijgen jeugdbeschermers stap voor stap steeds minder kinderen onder hun hoede.

Het akkoord beoogt niet alleen de zorg voor de meest kwetsbare kinderen te verbeteren. Ook moet het de uittocht van jeugdbeschermers stoppen in een sector die kampt met grote personeelstekorten en een hoog ziekteverzuim.

Het roept de vraag op hoe de werkdruk voor jeugdbeschermers kan worden verminderd. Wordt de vaak bekritiseerde jeugdbescherming daar beter van of is er nog meer nodig? Jeugdbeschermer Ilona Simons neemt de Volkskrant een dag op sleeptouw in een poging die vragen te beantwoorden.

Simons heeft haar laptop ’s ochtends nog niet aangezet, of haar telefoon begint te piepen. De rechtbank belt, over een uitspraak over hoe het verder moet met een van ‘haar’ kinderen. Hectiek, daar moet een jeugdbeschermer tegen kunnen, zegt Simons, die is opgeleid als orthopedagoog. Zelf is ze duidelijk niet het type dat zich gek laat maken. Haar uitstraling is kordaat en bovenal nuchter.

Tussen de geplande bezoeken aan de gezinnen, de kinderen en soms ook de rechtbank gebeuren er geregeld onverwachte dingen die haar aandacht opslokken. Dan komt er bijvoorbeeld een telefoontje tussendoor van de school van een kind onder haar hoede, dat diens ouders schreeuwend op het schoolplein staan.

Juist daarom moeten jeugdbeschermers ook de ruimte hebben om net een stapje extra te kunnen zetten als dat nodig is, vindt Simons. ‘Het loont om bijvoorbeeld een keer met een kind naar een open dag te gaan voor een gekozen opleiding. Of ik ga eens met een moeder mee naar haar therapeut. Op zulke momenten kun je echt contact maken. Zulke acties vallen als eerste weg als jeugdbeschermers tijdnood ervaren.’

Voor een omslag naar minder gezinnen per jeugdbeschermer is vooral meer geld nodig – en de bereidheid van de gemeenten om dat te betalen. De gemeenten waarmee Jeugdbescherming Regio Amsterdam (met 195 jeugdbeschermers) samenwerkt, verhoogden vijf jaar geleden het budget. Een exact bedrag kan de woordvoerder van de gemeente Amsterdam niet noemen, vanwege de complexe financiering van het gemeentelijke samenwerkingsverband op dit dossier. ‘Wij zagen dat er echt wat moest gebeuren’, zegt de woordvoerder. ‘Door de te hoge werkdruk vertrokken veel nieuwe jeugdbeschermers al binnen het eerste jaar, waardoor de wachttijden alleen maar verder opliepen.’

Nu moet er overal geld bij. Maar de gemeenten die dat moeten ophoesten zitten al krap bij kas. Daarom kijken ze met een schuin oog naar het Rijk. Vooralsnog heeft minister Franc Weerwind, die verantwoordelijk is voor de jeugdbescherming, dat niet structureel kunnen regelen.

Ook in het werkgebied van Simons moet volgens de nieuwe afspraken het aantal kinderen per jeugdbeschermer nog verder omlaag. Ondanks de al in gang gezette vermindering ervaart ze nog steeds veel werkdruk. Geregeld moet een gezinsmanager er toch een gezin bij nemen op het maximale aantal van tien, gewoonweg omdat er niet genoeg jeugdbeschermers zijn. Bij haar organisatie staan twintig vacatures open.

Het logische gevolg van minder gezinnen per jeugdbeschermer is bovendien dat de wachttijd op een gezinsvoogd verder kan oplopen voor een jongere die onder toezicht is geplaatst. Je tovert er niet een-twee-drie heel veel meer jeugdbeschermers bij.

Wel is er een subsidiepotje beschikbaar voor zij-instromers. Die kunnen nog lang niet alle gaten vullen, maar Simons is blij met elke nieuwe collega. Zeker met zij-instromer Mariken (48) – ‘liever geen achternaam’ – die Simons nu begeleidt. In een rustig hoekje van de kantoortuin van Jeugdbescherming Regio Amsterdam bespreken ze een gezin met een peuter in een benarde situatie: zijn vader heeft in een kwade dronk al eens de televisie kapotgeslagen, zijn moeder lukt het vanwege haar depressie niet altijd om het bed uit te komen.

Om het vak te leren, neemt Mariken bij dit gezin het voortouw, Simons kijkt mee. Mariken werkte in de modewereld, maar tijdens haar vrijwilligerswerk voor de Kindertelefoon ontdekte ze dat ze liever kinderen in nood helpt. ‘Dit vak is het helemaal voor mij’, zegt ze, terwijl ze Simons bijpraat over het haar toegewezen gezin. ‘Ze dreigen uit hun huis te worden gezet. Het kind heeft last van hun stress daarover.’

Simons leest mee met het plan dat Mariken heeft geschreven. Doel ervan is dat de ouders, met enige hulp, weer goed voor hun peuter kunnen zorgen. ‘Dit is een relatief gemakkelijke casus’, zegt Simons. ‘Omdat deze ouders hun problemen erkennen en er aan willen werken.’

Dat ze zich graag bezighoudt met gezinnen met dergelijke problemen, begrijpt niet iedereen, weet Simons. Gezinnen bovendien die vaak helemaal niet zitten te wachten op haar bemoeienis. Toch zegt Simons dat ze ‘de leukste baan van de wereld’ heeft. Ze zegt het op besliste toon, omdat ze weet hoezeer haar sector onder vuur ligt.

Bijvoorbeeld van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die in 2019 alarm sloeg. De overheid beschermt de kwetsbare kinderen onvoldoende in de gezinnen waarin de jeugdbescherming betrokken is, was de conclusie toen, en sindsdien zijn de problemen niet opgelost. De zorg voor deze kinderen schiet inmiddels zo tekort, dat deskundigen de vraag hebben opgeworpen of de overheid in deze omstandigheden nog wel het recht heeft zodanig in te grijpen in gezinnen.

Van Jeugdbescherming Regio Amsterdam prijst de Inspectie de gezamenlijke afspraken om het aantal gezinnen per jeugdbeschermer terug te brengen. Maar ook hier moeten sommige kinderen te lang wachten voor zij een gezinsvoogd krijgen toegewezen. En is de passende hulp vaak niet tijdig beschikbaar, door de nijpende tekorten in de jeugdzorg.

Het lukt de verantwoordelijke minister Weerwind niet om het tij te keren. Ook omdat hij eigenlijk niet zo veel kan doen: de gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor de jeugdbescherming. Zij beslissen bijvoorbeeld over hoeveel geld zij eraan besteden – dat kan dus per regio verschillen. ‘Georganiseerde onmacht’ noemde de Algemene Rekenkamer dit vorige week in een vernietigend rapport.

Simons heeft de afgelopen jaren veel collega’s zien vertrekken. Door de werkdruk, de toegenomen administratieve last, maar ook vanwege het steeds negatievere imago van de jeugdbescherming. Zo muntte cabaretier Peter Pannekoek vorig jaar de term staatsontvoeringen voor de uithuisplaatsingen van de kinderen van toeslagenouders. ‘Dat woord heeft veel impact gehad’, zegt Simons. ‘Gesuggereerd werd dat al die uithuisplaatsingen onterecht waren, dat wij kinderen zomaar uit huis zouden plaatsen. Het ontnam veel jeugdbeschermers de trots op hun werk. Ik merkte ook dat gezinnen negatiever op ons reageerden.’

Dat ouders die tegenover de jeugdbescherming komen te staan zich kunnen voelen als David tegenover Goliath begrijpt Simons heel goed. ‘Ze zijn dan bang dat wij het meest kostbare dat zij bezitten, komen weghalen, hun kinderen.’ Maar ze heeft in de pers ook weleens ouders van wie zij de casus kende dingen horen zeggen over de jeugdbescherming waarvan zij en haar collega’s weten dat het anders zit. ‘Dan vind ik het ingewikkeld dat de jeugdbescherming vanwege privacyregels niet kan zeggen hoe het volgens ons is gegaan.’

De bewering dat de jeugdbescherming te snel over zou gaan tot de uithuisplaatsing van kinderen, herkent Simons niet. Haar indruk is dat er soms juist te weinig wordt gedaan met zorgelijke signalen. ‘Ik heb meegemaakt dat een ziekenhuis ons voor gek verklaarde toen we een kindje dat eerder was mishandeld, toch weer terugbrachten naar de ouders.’

Toch wordt die oplossing geopperd met het huidige tekort aan jeugdbeschermers: Source: Volkskrant

Previous

Next