Meneer N. hield van sport, maar hij deed er zelf niet aan. In zijn woning in een torenflat in Amsterdam-Zuidoost staat weliswaar een hometrainer, maar die diende in de eerste plaats als kapstok.
Hij las Voetbal International, op de koelkast was een Tour de France-poster bevestigd. In de Veronica-gids, waar hij jarenlang op geabonneerd is geweest, streepte hij sportwedstrijden aan die hij bekeek op een ouderwets televisietoestel.
Zijn gewicht was problematisch, dat zag hij zelf vermoedelijk ook wel in. Ooit schijnt hij kok te zijn geweest, onduidelijk is waar. Het moet lang geleden zijn geweest, want hij stond als uitkeringsgerechtigde bekend in de systemen. Zijn AOW was onlangs ingegaan.
Uit documenten die Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam in de woning aantrof, is gebleken dat hij onder financieel bewind stond en soms, bijvoorbeeld als zijn kleren versleten waren, een beroep moest doen op bijzondere bijstand.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor dat speciaal voor de gestorvene is geschreven. Van Casteren leest de verhalen ook voor in de podcast De eenzame uitvaart.
Op vrijdagmiddag 24 februari ga ik naar de torenflat, Kralenbeek genaamd. Meneer N. woonde op de elfde verdieping, vanuit de woonkamer kon hij het Ajax-stadion zien en het Academisch Medisch Ziekenhuis waar hij op 13 februari op 65-jarige leeftijd is overleden. Vermoedelijk werd hij thuis onwel en belde hij zelf om een ambulance.
In zijn brievenbus bij de centrale voordeur hoopt de post zich op. Ik zie onder meer een stembiljet voor de provinciale verkiezingen en een van de met regelmaat door de apotheek verzonden pakketten met medicijnen, waaronder insuline die hij zelf injecteerde. Naar verluidt kende zijn huisarts hem niet, wat gelet op zijn fysieke conditie opmerkelijk mag heten. Bij maatschappelijk werk of andere hulpverlenende instanties is hij evenmin bekend.
Torenflat Kralenbeek heeft geen goede reputatie. Omdat iedereen zomaar in en uit kan lopen hangen er volgens de plaatselijke krant geregeld verslaafden rond. Deze vrijdagmiddag zijn de verslaafden nergens te bekennen, net zomin als de flatcoaches die na klachten van bewoners zouden zijn aangesteld.
Meneer N. werd in 1957 thuis in de Egelantierstraat in de Amsterdamse Jordaan geboren, broers en zussen waren er niet en zouden ook niet komen. Tot aan haar huwelijk werkte zijn moeder in een fabriek.
In de hongerwinter werd zijn vader, ijzerwerker van beroep, door de Duitsers samen met opa – gepensioneerd metselaar – en een glazenwassende broer in de buurt van Sloterdijk opgebracht voor houtdiefstal; een sympathieke daad van verzet waarmee de kou in de woningen echter niet werd verdreven.
Zoals veel Jordanezen vertrok het kleine gezin in de jaren zeventig van de tochtige verdieping op eenhoog achter naar de Bijlmermeer, waar omgeven door groen een modern stadsdeel was verrezen. Ze konden in de fonkelnieuwe torenflat terecht, helemaal bovenin op de achttiende verdieping.
Als ik op de verdieping van meneer meneer N. uit de lift stap, kom ik een 89-jarige man tegen die met zijn dochter boodschappen is wezen doen. Hij woont al vijfenveertig jaar in de flat, ze snappen meteen over wie het gaat. Dat meneer N. dood is wisten ze niet, het bericht grijpt hen aan.
De vader van meneer N. overleed in 1982, de flat begon toen al enigszins te verloederen. De 89-jarige vertelt – en zijn dochter weet dat ook nog goed – dat meneer N. helemaal geen opstandige puber was, maar een voorbeeldige zoon die bij zijn moeder in huis bleef wonen en haar met raad en daad terzijde stond.
Dat kon ook omdat hij geen levenspartner vond, zelfs een kortstondige relatie schijnt hij nooit te hebben gehad. Het was een ontzettend lieve, goedmoedige man die zijn voorkomen helaas niet mee had, aldus de dochter.
Meneer N. en zijn moeder leefden teruggetrokken, de buren hebben hen nooit in gezelschap van anderen gezien. In 1988 ging de moeder dood, niet lang nadat in de torenflat een roofmoord had plaatsgevonden waarbij de schedel van een invalide man was ingeslagen en de daders er met zijn auto en een deel van de inboedel vandoor waren gegaan.
In zijn eentje kon meneer N. de huur van het ruimere appartement op de achttiende verdieping niet meer betalen. Hij verhuisde naar de elfde, waar de woningen compacter zijn.
Een deel van het meubilair nam hij mee: de ouderwetse canapé van groen velours met bijpassende fauteuils waar zijn ouders in hadden gezeten en de rieten stoelen met de eettafel waaraan ze als gezin de maaltijd gebruikten. De ouderlijke sponde behield hij eveneens, dat lag met zijn grote lijf veel comfortabeler dan zijn krappe jongensbed.
Aan de bruin behangen muur verrees een eenvoudige stellingkast waarin enkele omvangrijke naslagwerken, zoals Kroniek van de Mensheid, Kroniek van de Twintigste Eeuw en Kroniek van Nederland, konden worden opgeborgen.
In de stellingkast was ook ruimte voor een bescheiden cd-collectie waarin onder meer werk van Julio Iglesias, De Kermisklanten en Lee Towers een plaats hebben gevonden. Videobanden stonden er ook netjes in, met een prominente plek voor z’n Star Wars-trilogie.
Meneer N. hield de boel keurig aan kant, hij vouwde zijn kleren fatsoenlijk op. Spullen werden neergezet op een daartoe bestemde plek in de kast, niets werd zomaar op een hoop gesmeten. De keuken was verouderd maar schoon, de friteuse nam hij regelmatig af.
In opvouwbare kratten van kunststof bewaarde hij zijn oude speelgoed. De 89-jarige en zijn dochter vertellen dat hij af en toe een radiografisch bestuurbare auto rondjes liet rijden over de galerij. Hij maakte een schuchtere indruk, maar groette altijd beleefd.
Soms zagen ze hem in de supermarkt, vijf minuten lopen van de flat. Hij ging vroeg in de ochtend, om zo min mogelijk mensen tegen te komen. Het boodschappen doen duurde lang, de dochter vertelt dat hij verschillende briefjes bij zich had waar op stond hoeveel hij kon besteden en aan welk product precies.
Omdat hij aan zijn eigen lijf al genoeg te sjouwen had, vervoerde hij de boodschappen op een ouderwetse bolderkar die beneden nog ergens in de berging moet staan. Op het bankje halverwege supermarkt en flat rustte hij minutenlang uit, het zweet droop van z’n voorhoofd.
Nooit zagen ze hem op de metro stappen, ze denken niet dat hij ooit in een vliegtuig heeft gezeten. De rit per ambulance naar het ziekenhuis is voor hem een wereldreis geweest.
Het is onduidelijk waaraan meneer N. precies overleden is. Een buurvrouw naast hem, een Ghanese mevrouw die hem in de twaalf jaar dat ze er woont een keer of drie heeft gesproken, meent dat hij corona gehad zou hebben en daar nooit helemaal van is hersteld.
Het ziekenhuis bracht Team Uitvaarten van het overlijden op de hoogte. Team Uitvaarten zoekt in dat geval in de Basisregistratie Personen (BRP) naar familieleden in de eerste en tweede graad: ouders en eventuele broers of zussen. Die waren er niet, het leven van meneer N. hoefde slechts administratief afgehandeld te worden.
Als ik de digitale indexen van het Amsterdamse stadsarchief bekijk blijkt, dat de vader van meneer N. zes broers en zussen had, sommigen met kinderen. Deze neven en nichten, die zich niet hebben gemeld en vermoedelijk geen contact hadden met de hen waarschijnlijk volstrekt onbekende oom, worden tot de derde graad gerekend en in de regel niet benaderd.
Op begraafplaats Sint Barbara arriveert op maandag 27 februari rond kwart voor tien ’s ochtends een zware kist. Niet zo zwaar als de kist met de Poolse man van meer dan tweehonderd kilo die ik een jaar geleden begroef – ditmaal hoef ik niet mee te tillen – maar de dragers steunen en puffen als ze hem uit de rouwwagen tevoorschijn trekken en op de rolbaar plaatsen.
Omdat ik niet weet of meneer N. de muziek van Julio Iglesias, De Kermisklanten of Lee Towers op z’n uitvaart zou hebben gewenst, laat ik in de kapel een nocturne van Chopin voor hem spelen.
Na de nocturne klinkt voor hem een interpretatie van cellist Yo Yo Ma en zangeres Alison Krauss van het 19de-eeuwse quakerlied Simple Gifts, waarin de lof van het eenvoudige leven wordt bezongen. ‘’Tis the gift to be simple, ’tis the gift to be free.’ Expert in eenvoud, dat was meneer N. zeker.
Enkele weken na de uitvaart ga ik terug naar Kralenbeek om toch nog eens navraag te doen, bij de plaatselijke middenstand ditmaal, want meneer N. was geen onopvallende verschijning.
De Aldi-supermarkt aan de Karspeldreef waar hij kwam, is te groot en anoniem, daar vang ik bot. De caissières kijken me aan of ik gek ben, een vakkenvuller bij de diepvriessnacks denkt dat ik van de recherche ben en vraagt waar meneer N. precies is neergeschoten.
Iets verderop, niet ver van metrohalte Kraaiennest, is een bakkerij gevestigd met een op een moment van grote wanhoop verzonnen naam: De lekkere dingen bakker.
Mijn vermoeden is juist, de medewerkers van De lekkere dingen bakker hebben meneer N. gekend. De man met de bolderkar. Uit de torenflat. Onderweg uitrustend op een bankje. Ja, die kwam hier regelmatig!
Hij liep hier op vaste momenten binnen, meestal in de vroege ochtend. Ze vroegen zich al af wat er met hem aan de hand was. Op vakantie naar Turkije misschien, al was dat eigenlijk niets Source: Volkskrant