Home

‘Spreek een vrouw nooit tegen, dat is het geheim van een lang huwelijk’

‘Ben je bedonderd, ik word geen honderd’, heeft Hendrik Willems de afgelopen jaren rondgebazuind. Maar het is er toch van gekomen. En dat betreurt de eeuweling niet, want hij stapt nog elke ochtend met goede zin zijn bed uit. Geamuseerd vertelt hij over zijn vele avonturen de afgelopen eeuw.

Al 68 jaar woont hij in een dorp in het Land van Cuijk, op twee kilometer afstand van zijn geboortegrond, in een huis dat hij bouwde met zijn grote liefde Anna. In hun tuin kweekten ze kerstbomen en hielden ze nertsen voor de verkoop. Een enkele uit de kluiten gewassen Nordmann en lege schuren herinneren aan de ondernemerslust van weleer, die maar weinig centen opleverde.

Het liefst zou Willems nu op zijn 100ste nog zelf zijn grasveld maaien. Met de zeis, zoals hij leerde in zijn jeugd op het boerenland van zijn ouders, en zoals hij het altijd is blijven doen. En hij popelt om op een ladder te klimmen zodat hij de rozen in zijn tuin kan snoeien. Dat kan nog best, denkt hij, maar zijn drie kinderen hebben hem een aantal strenge regels opgelegd. Zeisen, en snoeien op een trap, staan op de zwarte lijst. Een van de toezichthoudende drie is zijn oudste dochter Riky, die zich tijdens het interview opwerpt als tolk van het Brabantse dialect dat haar vader spreekt.

‘Ik word van alle kanten gedirigeerd. Het is wel verstandig van ze, want als ik de rozen ga snoeien en val, heb ik een probleem. Dan moet ik verhuizen naar zo’n huis, dat is niks voor mij. Voor mijn dagelijkse wandeling mag ik van mijn kinderen ook het bos niet meer in. Nu loop ik over het fietspad langs de weg. Als ik daar val, is er altijd wel iemand die mij ziet en kan oprapen als dat nodig is.’

‘Ik ben veel buiten, in de tuin en in de buurt. Verder lees ik veel. Romans en boeken over de oorlog, zoals Noord-Brabant 40-45. Elke ochtend haal ik De Gelderlander uit de brievenbus. Als ik de krant lees, snap ik er minder van dan vroeger, want er staan veel Engelse woorden in die ik niet begrijp, zoals ‘podcast’ en ‘stealthing’. Ik weet niet wat dat betekent. De Engelse taal heb ik nooit geleerd. Het Journaal kijk ik niet meer. Dat is niet meer te volgen, ook dat zit vol Engels – en ze praten tegenwoordig zo snel.

‘Ik heb altijd willen weten wat er in de wereld gebeurt. Als kind las ik zodra ik kon lezen, vanaf mijn 6de, de krant. We hadden de Katholieke Illustratie en Het Huisgezin (voorloper van het Brabants Dagblad, red.). In de jaren dertig hield ik alles over Hitler bij. Ik vertelde erover aan mijn moeder en zij werd er bang van. ‘Je moet niet zo veel lezen’, zei ze.’

‘Hier twee kilometer vandaan, in Escharen. Ik was de jongste thuis. Mijn ouders waren keuterboeren, zoals alle elf gezinnen die in dit buurtschap woonden. Boeren hadden in die tijd meer kinderen dan koeien. Nu is het andersom, 100 of 150 koeien per boer is doodnormaal geworden. We hebben er te veel stikstof van, dat moet opgelost worden. Ons gezin telde zeven kinderen en drie koeien. Alle boeren waren zelfvoorzienend. Als er nu weer oorlog komt, is het een probleem dat er niet zo veel boeren meer zijn. Hoe moeten de mensen aan eten komen als ze zelf niks verbouwen?’

‘Op mijn leeftijd hoef ik niet meer bang te zijn voor oorlog. Zo lang zal het voor mij niet meer duren. Maar stel dat de Russen Oekraïne veroveren, dan wandelen ze misschien wel door naar ons. Ze zijn er zo. We helpen de Oekraïners wel met wapens, maar het ziet er niet naar uit dat de Russen zullen stoppen. Ze willen winnen.’

‘Als avontuurlijk. Ik denk dat ik van de Batavieren afstam. Ik heb altijd gehouden van jagen, vissen en lekker bier drinken. Als jongen ging ik met vrienden vaak stropen. Met de luchtbuks op konijnen, hazen en fazanten schieten, om op te eten of te verkopen. Als de politieman, Beuvink heette hij, je betrapte, kreeg je slaag met een gummiknuppel. Was hij boos, dan zei hij ‘pottendomme’, hahaha.

‘Eens in de zoveel jaar stroomde de Maas over. Dan stond ons land onder water. Mijn vader haalde de schuurdeur eruit, zodat wij kinderen die als vlot konden gebruiken om de school te kunnen bereiken. Als het water zo hoog stond, kon je goed vissen. Terug uit school zei mijn vader: kom, we gaan palingen vangen! Dan lieten we een baal stro in het water zakken. De volgende ochtend haalden we die omhoog, smeerden onze handen in met zand en zo konden we die gladde palingen uit de strobaal plukken.

‘Mijn vader werd nooit kwaad en maakte overal een grapje van. Toen de Duitsers ons land binnenvielen, zei hij: ‘Het was zo druk met vliegtuigen in de lucht, dat de kraaien moesten lopen.’ In de avond voerden we thuis vaak toneelstukjes op, met de buren erbij. Mijn vader hield dan als eerste een voordracht. Hij kon goed vertellen.’

‘Ik heb het wel geprobeerd, ik haalde mijn melkdiploma en ging op mijn 15de als boerenknecht aan de slag, maar het is uiteindelijk anders gelopen. Toen de Duitsers er aan leken te komen, was er veel werk te doen. We zitten hier vlak bij de grens met Duitsland. Ik was 17 en hielp de Engelsen de wegen te verbeteren. Ik moest er sloten naast graven zodat regenwater kon weglopen. We bouwden ook stellingen van hout en prikkeldraad, om de Duitse soldaten tegen te houden. Maar ze bleken met de trein te komen.

‘In de eerste oorlogsjaren heb ik melk opgehaald bij boeren en naar de melkfabriek gebracht. Omdat ik voor de voedselvoorziening werkte, hoefde ik niet naar Duitsland. Maar een paar jaar later werd ik toch opgeroepen voor een keuring om tewerkgesteld te worden. Beuvink, de politieman, kwam de volgende dag naar mij toe en zei dat hij mij aan een onderduikadres kon helpen. Tot het eind van de oorlog heb ik mij verscholen voor de Duitsers, waaronder een paar maanden in een bomkrater. Beuvink zorgde voor voedselbonnen.

‘Na de bevrijding ging ik naar de beurs, dat was een soort arbeidsbureau. Daar zeiden ze dat ik het beste een vak kon gaan leren. Er waren veel bouwvakkers nodig voor de wederopbouw. Op de Rijkswerkplaats leerde ik voor metselaar en dat ben ik altijd gebleven. Ik heb veel woningen gebouwd. Ook mijn eigen woning, samen met mijn vrouw Anna. Voor duizend gulden hadden we één hectare grond kunnen kopen. Anna stond op de houten steiger en ving de bakstenen op die ik naar boven gooide. Terwijl ik in de bouw werkte, maakte en verstelde Anna kleding. Als bijverdienste kweekten we kerstbomen, een stuk of drieduizend, en hielden we nertsen, maar dat leverde ons weinig extra’s op. Het gebeurde wel dat een opkoper alle kerstbomen wilde hebben en meenam, maar nooit terugkwam om te betalen. Ik heb nooit veel verdiend, maar ben wel altijd gelukkig en gezond geweest, dat ben ik nog steeds.’

‘Zodra we hoorden dat de Duitsers de grens waren overgestoken, raakten we in paniek. Met het hele gezin zijn we gevlucht. Mijn ouders op de kar met paard, wij kinderen er achteraan fietsend. We gingen naar Schaijk. Daar hebben we één nacht geslapen, en de volgende dag – toen we hoorden dat de Duitsers verder waren getrokken – zijn we weer teruggegaan. De soldaten bleken op onze boerderij te zijn geweest en hadden alle weckpotten met groenten, fruit en vlees meegenomen.’

‘De waterleiding. Toen ik hier in 1956 met Anna kwam wonen, was er niets. Je moest in die tijd zelf voor je watervoorziening zorgen. Ik heb een put gegraven, met een pomp. We waren heel modern met die pomp. Het grondwater konden we zo drinken, dat was heel schoon. Toen een jaar later een waterleiding werd aangelegd, was dat luxe. We kregen zelfs een douche.’

‘Trouwen met Anna. De 68 jaren met haar waren de gelukkigste van mijn leven. We hebben veel gewandeld en veel gedanst, op feestdagen, carnaval en ouderenbals. Mijn kleinzoon vroeg mij laatst naar het geheim van een lang huwelijk. Ik antwoordde: ‘Nooit een vrouw tegenspreken, want daar komen problemen van’, hahaha. Ik heb Anna niet één keer tegengesproken. Als ik bijvoorbeeld een gieter had bedacht aan een lange stok en zij vond het niet mooi, dan liet ik het plan varen. In ons gezin heette mijn vrouw ‘de commissie’: alleen wat door de commissie was goedgekeurd, ging door.

‘Vier jaar geleden is Anna overleden. Ik mis haar, maar kan goed alleen zijn. Als je trouwt weet je zeker dat je niet tegelijk dood gaat. Ik zing weleens: ‘Dit menneke, dat leeft nog!’’

geboren: 15 januari 1923 in Escharen

woont: zelfstandig, in het Land van Cuijk

beroep: metselaar

familie: drie kinderen, zeven kleinkinderen, vijf achterkleinkinderen

weduwnaar: sinds 2018

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next