Op onze studentengang woonden we – in de jaren zeventig van de vorige eeuw – met vijftien studenten. Wij deelden samen een keuken, één gasfornuis, één koelkast, een oud zwart-wit televisietje, één vaste telefoon, en drie kranten. De keuken was onze huiskamer. De keuken was ook ons café, waar we tot diep in de nacht aan het kaarten en drinken waren. Het was niet ongebruikelijk dat studies uitliepen, dus studiestress was schaars.
Toen we vijftien jaar geleden bij een reünie naar deze gang teruggingen waren de veranderingen onmiskenbaar: in de keuken stonden nu drie gasfornuizen en drie grote koelkasten. Geen tv. Geen kranten. De vaste telefoon was weg. Alle bewoners hadden een eigen tv, een computer, een telefoon, en veel van hen ook nog een eigen koelkastje (voor het eigen bier). De keuken werd veel minder gebruikt dan in onze tijd.
Over de auteur
Wilma Vollebergh is emeritus hoogleraar Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. In april is zij gastcolumnist voor de Volkskrant, die elke maand iemand uitnodigt een serie columns te publiceren op volkskrant.nl/opinie.
Deze veranderingen zijn een goede metafoor voor de toenemende (materiële) welvaart en individualisering in de afgelopen decennia. Vandaar dat je regelmatig hoort spreken over een ‘verwende generatie’, als het over de huidige jongeren gaat.
Tegelijkertijd zien we hier het verlies aan gezamenlijk sociaal contact (de keuken), dat werd ingeruild voor het sociale contact in de bubbels van het internet. De negatieve effecten van onze welvaart worden ook steeds beter voelbaar. Denk aan de spectaculaire groei van het afvalprobleem, de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen, de welvaartsziekten (zoals obesitas) en het klimaatprobleem.
De ‘verwende generatie’ staat voor de enorme taak om deze problemen op te lossen, terwijl allerlei zekerheden in hun bestaan in toenemende mate onder druk komen te staan. Denk daarbij aan toenemend flexwerk, vooral onder jongeren (Nederland is koploper in Europa) of de huizenmarkt voor starters, om een paar basisonzekerheden te noemen.
Die toenemende onzekerheid laat zich ook goed illustreren aan de ontwikkelingen in het onderwijs. In mijn tijd studeerde zo rond de 10 tot 15 procent van de jongeren in het hoger onderwijs. Dat gaf veel zekerheid en toekomstperspectief. Sindsdien is de stijging van het opleidingsniveau van jongeren spectaculair. Tussen 1950 en 2021 was er maar liefst een vertienvoudiging van het aantal studenten in het hoger onderwijs. Inmiddels heeft bijna de helft van alle jongvolwassenen een diploma van hoger onderwijs (hbo, wo).
Je zou zeggen: pure winst, en zekerheid voor veel meer jongeren. Maar hoewel de relatieve voordelen van een hogere opleiding ten opzichte van lagere opleidingen nog steeds substantieel zijn, neemt het absolute voordeel wat af. Zo is het goed denkbaar dat de waarde van het diploma daalt omdat het niveau van het hoger onderwijs in de afgelopen decennia afgenomen is.
Nu weten we dat onze overheid heilig gelooft dat het in veel sectoren (vooral de zorg, het onderwijs) met minder geld juist beter gaat worden, maar de daling van het budget dat universiteiten krijgen voor het opleiden van een student tot en met de masterfase is bepaald spectaculair. Bovendien duren veel universitaire opleidingen nog maar vier jaar, waar dat vroeger vaak zes jaar was. Dan getuigt het van weinig realisme om gelijkblijvend niveau van de opleidingen te verwachten.
Dat jongeren zo zijn opgejaagd om te streven naar het hoogst haalbare opleidingsniveau leidt er ongetwijfeld ook toe dat er jongeren naar hbo of universiteit gaan die veel beter zouden passen op het mbo. De druk om die studenten toch te laten slagen is groot, al was het maar omdat de universiteit alleen betaald wordt voor studenten die hun studiepunten halen, en opleidingen door diezelfde universiteit bestraffend worden toegesproken als hun rendementscijfers te laag zijn.
Een pervers systeem, maar daarover maar een andere keer. Deze studenten vragen veel extra begeleiding (vaak onbetaalde uren), en ervaren stress en angst voor de ratrace tijdens en na de studie.
Deze ontwikkelingen dragen bij aan een risico op ‘overscholing’ en verdringing op de arbeidsmarkt. Die verdringing leidt ertoe dat het vaak niet meer voldoende is om een hoge opleiding af te ronden. Studenten moeten zich binnen die groep onderscheiden en laten zien dat ze bij de besten horen. Gewoon goed is al lang niet meer goed genoeg. Huilende studenten aan je bureau omdat ze geen acht gehaald hebben, het was geen uitzondering meer.
Kortom: de winst door stijgend onderwijsniveau heeft ook de stress en de competitie in het leven van onze jongeren aanzienlijk versterkt. Er is dan ook geen enkele indicatie dat hun welbevinden meegegroeid zou zijn. Integendeel, zoals onderzoek naar de mentale problemen van schoolkinderen onlangs nog heeft aangetoond. Het zou daarom heel goed zijn om de druk in het onderwijs weer wat van de ketel te halen.
De nadruk die minister Robbert Dijkgraaf (Onderwijs) legt op de rehabilitatie en versterking van het mbo is in dit geheel verfrissend en hoopvol. Niet alleen voor de samenleving, die meer praktisch geschoolde jonge mensen heel hard nodig heeft, maar vooral ook voor de jongeren zelf. Dan is het nu alleen nog wachten op veel betere arbeidsvoorwaarden en honorering van de beroepen waar de mbo-studenten voor worden opgeleid, want als die niet mee verbeteren, dan blijft het weer bij mooie woorden.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Source: Volkskrant