Het is burgerlijk en belachelijk en was ik werkelijk zo’n willoos wezen, nee toch zeker, maar feit is dat ik bij de eerste zonnestralen van het jaar ineens enorm behoefte had om ergens de bezem door te halen. Door de administratie, door mijn haar, door mijn huis, mijn huwelijk, het donderde niet wat, als er maar iets met kop en kont werd aangepakt. Het werd de schuur, want Marcel was niet thuis.
Sinds we van de makelaar de opdracht hadden gekregen ons huis strak te trekken voor het verkoopklaar maken van de woning – ‘Geen rommeltjes, geen tutteltjes, die stapel kranten weg en misschien even de boekenkast ordenen, ja, die kindertekeningen zou ik ook weghalen’ – hadden we de helft van onze huisraad naar de schuur verplaatst, want wij zíjn rommeltjes en tutteltjes en boeken en kranten. Dat heet cluttercore, las ik in NRC, een stroming die precies het tegenovergestelde is van de minimalistische, beige, caffè latte-interieurs die je de laatste jaren zo veel ziet, en toevallig hartstikke hip. In Barcelona doen ze het ook, maar vertel dat maar eens aan een Zaanse makelaar.
En zo was onze schuur een dependance van het hoofdhuis geworden, een soort outlet waar je toch nog heel aardige dingen kon vinden, het kwam geregeld voor dat ik ’s ochtends eerst naar de schuur moest om schoenen bij mijn outfit te vinden. Naast tweede filiaal was de schuur ook nog gewoon schuur, en dus lagen er tussen de boeken en schoenen en vazen en lijstjes ook nog driewielers en fietstassen en zakken potaarde en snoeren en schoffels en gereedschap en een opblaasbaar zwembad en een kapotte grasmaaier en al die andere dingen die een mens na zijn 40ste nodig heeft. Daar waren recent nog vier winterbanden bij gekomen, zúlke wielen, die Marcel, omdat ze zo loeizwaar zijn, op goed geluk naar binnen had gerold, werkelijk heel gemakzuchtig, en telkens wanneer ik de schuurdeur opentrok zag ik ook wel dat zoiets geen lokkertje kon zijn voor potentiële kopers.
Ik belde mijn moeder, ze kwam meteen.
Nee, ze hoefde geen koffie, eerst beginnen.
Mijn moeder is 71, maar dat merk je nergens aan, in ieder geval niet aan haar manier van opruimen. Op momenten dat ik twijfelde – de tuinstoelkussens van mijn overleden schoonmoeder, goed, ze waren wat versleten, kapot is ook een woord, maar toch, wel een erfstuk – maakte zij korte metten, en toen ik even naar binnen liep voor een slok water zag ik dat een stapel Consumentengidsen, want die waren inmiddels óók ons leven binnengeslopen, zo, hop, met een doffe plof in de kliko landde.
Kaf en koren, zo iemand heb je wel nodig.
Binnen anderhalf uur was de schuur bezemschoon, en daarna hadden we alle overgebleven spullen weer vakkundig in elkaar getetrist, a-je-to moe, waarna zij met een wagen volgeladen naar de kringloop reed, en ik naar de vuilstort.
‘Dat hebben we goed gedaan, hè Fried?’, zei ik terwijl ik via de achteruitkijkspiegel naar Frida keek, die de hele ochtend om ons heen had gescharreld, zich vermakend met al die schatten die uit de schuur waren komen rollen.
Bij de vuilstort was het druk. ‘Ik heb een kind’, grapte ik tegen de in oranje overall gestoken portier met een blik naar achter.
‘Ik heb er drie’, zei hij. ‘Rij maar door.’
Even later keek Frida vanachter haar raampje toe hoe ik alles in containers gooide, ijzer bij ijzer, glas bij glas, stof tot stof.
Toen Marcel die avond thuiskwam, kreeg ik een compliment, hij weet nog niet dat de lente nog maar net is begonnen.
Source: Volkskrant