Home

De werkelijkheid van het schattige Funda-huisje in Friesland raakte deze Randstedelingen

We waren in Harlingen. Men kan daar in de buurt veel leuke dingen doen, waaronder door druilerige weilanden rijden naar een huisje dat op Funda staat. Dat zal niet bovenaan eenieders lijstje staan, maar wel op dat van mijn vrouw, dus dat was ons uitje. Ik sputterde nog tegen dat we geen geld hadden om wat dan ook te kopen. Ze wierp tegen dat mensen ook kastelen bezochten die ze niet konden kopen. En bovendien, als we het nou samen met vrienden kochten, was het misschien te doen. Die twee argumenten leken niet bij elkaar te horen, maar voordat ik kon formuleren waarom niet, zaten we al in de auto.

Online had het huisje, het moet gezegd, er prachtig uitgezien. Maar sinds makelaars droneshots hebben ontdekt, ziet werkelijk elke vervallen varkensstal er idyllisch uit. Het lag op een schiereilandje dat, vanuit de lucht gezien, leek te drijven in fonkelend water. Een plukje huizen leunde schots en scheef tegen elkaar aan, alsof ze zich hadden teruggetrokken voor de oprukkende vloed en elkaar warm hielden door bijeen te klitten.

Friesland is bij vlagen Europa op zijn best: een landelijke idylle, met om het halfuur rijden een historisch stadje met kroegen en restaurantjes. Bij vlagen ook niet. Stedelingen willen weleens vergeten dat al die weilanden feitelijk bedrijven zijn, en dat ook Friesland dus voor een groot deel bedrijventerrein is. En ondernemers hebben wel wat beters te doen dan snoezigheid aanleggen voor toeristen. Binnen de bebouwde kom van Harlingen hadden we al tien keer zoveel bomen per strekkende meter gezien als hier tussen de weilanden. Bij een blauwe lucht kan zo’n raaigraswoestijn hallucinant mooi zijn, maar onder deze donkergrijze lucht ontnam de doodse vlakte ons de lust tot leven.

Tot plots – o wonder – de idylle opdook. Een ophaalbruggetje overspande een kronkelend riviertje, aan weerskanten waarvan een stuk of tien huisjes, beschut door populieren, pittoresk lagen te wezen. De huisjes aan de overkant vormden het schiereiland, en aan het verre einde ervan lag het huisje.

Vrolijk kakelend betraden wij de nederzetting, maar alras begonnen we zachter te praten. Iets in de geïsoleerdheid van de plek, de grijze lucht, het gevoel gadegeslagen te worden, maakte dat we onszelf begonnen te horen als de luidruchtige stedelingen die we zijn, zodat we met elke stap zachter begonnen te praten, tot het een fluisteren was geworden.

Het huisje leek op een schaalmodel van dat in de advertentie. Wie het bewoond had moest óf middeleeuws klein wezen, óf enorm van bukken houden. Het stond leeg, althans dat hoopten wij, want het was in deerlijke staat. Het houtwerk was verrot, en door de gordijnloze ramen zagen wij een een donker kamertje met zwarte schimmelsporen op de bruine muren en dito tapijt. De tuin waarin we stonden was een plagje gras dat nauwelijks hoger lag dan het water, hetgeen gedemonstreerd werd het steeds dieper wegzakken van onze misplaatste sneakers.

De makelaar had vermeld dat het huis geweldige potentie had, en dat klopte. Potentie is immers de spanning tussen wat iets zou kunnen zijn en wat het is. In dit geval een bouwval. We slopen terug, het landje af. Voor een raam hing een poster met de tekst ‘Stop de groene leugen’. De groene plastic brievenbus van een andere woning droeg de sticker ‘Windmolens? Nee bedankt’. Het fluisteren was gestopt, het wegsluipen werd steeds gehaaster. In Harlingen wachtte een cappuccino met mijn naam erop.

Source: Volkskrant

Previous

Next