Home

Militairen die een misstand melden moeten er vaak zélf voor boeten

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Defensie Het is nog steeds, ondanks eerdere beloftes, bijzonder lastig een misstand aan te kaarten binnen defensie. Tien militairen over wat hun overkwam toen ze hun mond opendeden.

’s Avonds na zijn werk, op de donkere parkeerplaats bij de kazerne, kijkt hij eerst om zich heen. Hij buigt door zijn knieën en voelt aan de wielbouten van zijn auto. Ze zitten nog vast. Hij weet dat nogal wat collega’s de pest aan hem hebben sinds hij een onveilige situatie aankaartte. Hij hoorde anderen over hem praten als ‘die klootzak van die melding’.

Dat zijn angst reëel is, blijkt uit verhalen van andere militairen die ook recent bij defensie een misstand meldden. „Een wiel van de auto van mijn collega schoot los toen hij van het parkeerterrein bij de kazerne wegreed”, vertelt een tweede militair. Een klokkenluider, net als hij. Sindsdien controleert ook hij zijn wielbouten, „voor de zekerheid”.

Een derde deed op de kazerne ’s avonds niet meer open als iemand aan de deur stond. „Dat liet ik over aan degene die wacht had. Wie weet wie daarbuiten stond.” Controleerde híj zijn wielbouten? „Altijd. Dat is wat je gaat doen.”

Defensie roept militairen al jaren publiekelijk op om gevallen van onveiligheid, fraude en machtsmisbruik te melden, zodat misstanden voortvarend kunnen worden aangepakt. Nadat een onderzoekscommissie bijna vijf jaar geleden vernietigend oordeelde over de omgang met klokkenluiders beloofde defensie beterschap.

Er kwam een nieuwe integriteitsaanpak, een extern meldpunt en er werden vertrouwenspersonen aangesteld, om te zorgen voor „een positieve meldcultuur, waarin medewerkers zich veilig voelen om te melden”. In het jongste jaarverslag over integriteit schrijft de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie Gea van Craaikamp: „Veiligheid is de spil waar Defensie om draait.” En: „Dat betekent dat we die veiligheid ook aan elkaar willen bieden.”

Maar erváren de melders dat ook zo? In een zaaltje in Amsterdam-Noord klinkt op een donderdagmiddag een wat wrang, bulderend gelach. Een groep militairen kwam er op verzoek van NRC bijeen om te vertellen wat hen overkwam nadat zij een misstand hadden gemeld. Anderen spraken erover bij hen thuis. In totaal interviewde NRC tien militaire klokkenluiders – al worden ze niet allemaal als zodanig erkend door defensie. De zaken die zij hebben aangekaart variëren. Van fraude tot grensoverschrijdend gedrag binnen hun eenheid, van commandanten die hun bevoegdheden misbruiken tot veiligheidsincidenten die worden verzwegen.

NRC sprak de afgelopen maanden met tien militairen over wat er gebeurt als je een misstand binnen de krijgsmacht aankaart. Alle tien zijn door de journalisten benaderd, soms op voorspraak van een collega-militair. Allen wilden alleen spreken op voorwaarde dat zij zelf, noch de misstanden die ze hadden aangekaart, herleidbaar zouden zijn. Ze vrezen onder meer door defensie aangeklaagd te worden of voor nadelige gevolgen voor hun loopbaan of financiële situatie. NRC noemt hen klokkenluiders, omdat zij een vermoedelijke misstand aankaartten binnen de krijgsmacht, die volgens hen onvoldoende werd opgepakt, waarna ze ermee naar buiten traden. Defensie hanteert een andere definitie van een klokkenluider. Waar NRC de term misstand gebruikt in de maatschappelijk gangbare betekenis, maakt defensie onderscheid tussen een integriteitsschending en een misstand – dat laatste komt volgens defensie zelden voor.

In de gesprekken vergelijken ze hun eigen zaken met al bekende misstanden, over chroom-6 bijvoorbeeld, of het ongeval op een schietbaan. In de eerste kwestie liet defensie personeel jaren onbeschermd werken met de kankerverwekkende verf chroom-6. Interne meldingen over de gezondheidsrisico’s werden genegeerd. Pas nadat drie klokkenluiders in 2014 de publiciteit zochten, werd onderzoek ingesteld. Defensie had haar zorgplicht verzaakt.

Het negeren van meldingen leidde in 2016 tot de dood van een sergeant op een schietbaan in Ossendrecht. De 35-jarige instructeur werd tijdens een oefening door collega’s geraakt. De legertop was herhaaldelijk gewaarschuwd voor de onveilige baan; zo waren de tussenwanden gemaakt van een te dunne doek, waar de kogels doorheen konden. Met die meldingen was niets gedaan.

Geen van de tien wil met naam in de krant, uit angst voor hun loopbaan, verlies van inkomsten of juridische problemen. Zelfs de misstanden die zij hebben gemeld zijn op hun uitdrukkelijke verzoek hier niet herleidbaar. Interne documenten, cijfers en getuigenissen ondersteunen hun ervaringen.

De klokkenluiders kennen elkaar of kennen tot in detail elkaars ervaringen, ook die van melders die niet aan dit artikel meewerkten. Het zijn mannen tussen de veertig en zestig, van alle rangen en uit alle krijgsmachtdelen: marine, landmacht, luchtmacht, marechaussee. Ze hebben contact in appgroepen en steunen elkaar. „Mijn advies aan mijn buurman hier was: leg alles vast, gesprekken, mails, appjes, álles.”

Hun ervaringen komen overeen. Ze deden de afgelopen jaren een melding bij defensie en werden zonder uitzondering ernstig tegengewerkt.

Het begin is bemoedigend. Je commandant die je hartelijk bedankt voor je melding. Maar kom er nog eens op terug, en als er niets gebeurt nog eens, en je bent een lastpak. Na zo’n eerste melding moet je je mond houden, zeggen de klokkenluiders. „Zo niet, dan ga je merken wat de consequenties zijn.”

Je melding hoort vertrouwelijk te zijn, maar al snel weet iedereen dat je iets hebt aangekaart wat de organisatie niet als een probleem ziet – of wíl zien. Je collega’s nemen afstand. Militairen zijn trouw aan hun team en organisatie. Jij bent dat ook, door een misstand aan te kaarten in de hoop dat dit de krijgsmacht beter maakt. Zij zien dat anders.

Een militair deed een vertrouwelijke melding over misdragingen op zijn afdeling. Vlak erna kwamen collega’s naar hem toe. Ze bleken te weten dat hij de melder was en wilden niet langer met hem werken. De leidinggevende koos partij voor hén.

De klokkenluiders in het zaaltje en in hun woningen knikken. Ze hebben vergelijkbare ervaringen. „Een collega kwam vaak thuis wat bij me drinken”, vertelt een officier. „Na mijn melding nam hij de telefoon niet meer op, reageerde niet meer op appjes. Een paar weken later stuurde ik hem een berichtje: je hebt mijn zaag nog. Die hing de volgende dag in een plastic tas aan mijn voordeur.”

Een andere officier: „Ik kreeg wel steun van collega’s, maar nooit openlijk. Ze voedden me op de achtergrond met informatie. Totdat duidelijk werd dat ik de strijd zou verliezen, toen zag ik ze niet meer. Ze waren bang dat ik ze zou meeslepen in mijn val.”

Een ex-officier die misstanden meldde die later zijn bevestigd door defensie: „Ik stond met een aantal jaargenoten bij café Suikerkist in Breda. Op dat pleintje daar. Een zei tegen me: mij is geadviseerd om niet meer met jou te praten, dat is niet goed voor mijn carrière.”

Het is bij defensie lastiger je mond open te doen dan bij veel andere organisaties. Het is de cultuur, concludeerde de commissie-Giebels die dit in 2018 onderzocht. Door de „verregaande loyaliteit” onder militairen „wordt verwacht dat iedereen zich aanpast aan de groep”. Dat maakt het lastig om je uit te spreken als in jouw groep regels worden overtreden. Je bent ook sterk afhankelijk van anderen. Vanaf je opleiding tot aan je pensioen kom je dezelfde collega’s tegen. Tijdens de officiersopleidingen ontstaan in het cadettencorps al sterke persoonlijke banden en netwerken. Militairen krijgen bovendien gemiddeld elke drie jaar een nieuwe functie. Iedere nieuwe baas bepaalt wat je volgende carrièrestap is. Dit ‘gesloten carrièresysteem’ draagt er volgens de onderzoekscommissie aan bij dat er niet goed wordt gereageerd op meldingen.

Illustratie Anne van Wieren

Niemand neemt het van je over. Niemand lost iets op. Zo blijft het jouw probleem en dus móét je er wel op terug blijven komen. Een militair meldde een misstand bij zijn meerdere, die deed niets. De verantwoordelijke van de afdeling waar de misstand plaatsvond gaf ook niet thuis. Hij belandde in een maandenlang traject voor een misstand waarvan zijn meerderen evengoed op de hoogte waren. Een intake bij de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID), dé organisatie voor misstanden bij defensie. Een hoorzitting. Dan een advies aan de secretaris-generaal. Dat luidde: ja, het is een mogelijke misstand. Er werd een onderzoekscommissie opgetuigd.

De klokkenluiders noemen dit: rekken. „Mijn leidinggevende zei: weet je wat, laat het maar aan mij over. Ik ga dat verder oppakken. Oké, zei ik, prima. Maar er werd niks opgepakt.”

Een militair die meldde dat collega’s fysieke schade opliepen bij een training waarbij de veiligheidseisen structureel niet werden nageleefd, kreeg van zijn commandant te horen dat hij zich niet druk hoefde te maken. De onveilige situatie was opgelost. Hij was er niet gerust op. „Ik zei: oké, prima, maar hóé is het dan opgelost? Mag ik de nieuwe veiligheidseisen zien? Toen was ik een klootzak. Ik mocht me er niet meer mee bemoeien.” Hij stelde vast dat er niets was opgelost – ze hadden hem alleen proberen te sussen om van de melding af te zijn.

Een melder vertelt dat hij een gesprek had met het hoofd operationele zak Source: NRC

Previous

Next