Home

‘Als mijn moeder, Bernhard en ik samen waren, voelde ik een liefde die ik van mijn wettelijke vader niet kreeg’

Schrijver Oscar van den Boogaard hoeft niet geloofd te worden, als hij zegt dat hij de buitenechtelijke zoon van prins Bernhard is. Deze week verscheen In de naam van de zoon, het derde en laatste boek over zijn familiegeschiedenis. ‘Ik ben degene die benijdenswaardig is in dit verhaal, want ik ben vrij.’

Oscar van den Boogaard (58) werd niet door iedereen geloofd, toen hij in 2018, via zijn vuistdikke familieroman Kindsoldaat, vertelde waar hij een leven lang mee had geworsteld. Hij was een kind van prins Bernhard, vertelde hij, geboren uit een jarenlange geheime relatie tussen zijn moeder en de man van de toenmalige koningin.

In NRC werd hem tijdens een interview om ‘hard bewijs’ gevraagd. In haar talkshow vroeg Eva Jinek hem een paar dagen later of zijn bewering ‘feit of fictie’ was, en of zijn moeder, die immers dronk, wel een betrouwbare bron was geweest. De schrijver blikt erop terug in zijn nieuwe (twintigste) boek, In de naam van de zoon. De talkshowtafel beleefde hij als ‘de onveiligste plek op aarde’. Hij was ‘een sneeuwklokje dat zich net met zijn kopje door de bevroren aarde had geploeterd’, schrijft hij. ‘Ik wilde geen sensatie, geen erkenning, alleen maar fluisteren: dit is wie ik ben.’

Kindsoldaat (2018) schetste de geschiedenis van zijn voorouders – de ontmoeting tussen zijn moeder en Bernhard vindt pas plaats op driekwart van het vuistdikke boek – en eindigde met de geboorte van Maxwell, het alter ego van de schrijver. Jachthuis (2020) is het vervolg, over zijn complexe jeugd, en deze week verscheen In de naam van de zoon, een lyrisch memoir, waarin Van den Boogaard verder gaat waar Jachthuis stopte. ‘In mijn nieuwe boek heb ik me met mijn moeder en Bernhard kunnen verzoenen. Maxwell is eindelijk Oscar geworden. Het is het boek over mijn volwassen leven. Ik ben aangekomen in het nu, mijn verhaal is af. Nadat ik bij De Bezige Bij was geweest om de laatste correcties af te geven, was het alsof ik voor het eerst van mijn leven echt vrij was. Ik dacht: je hebt het volbracht. Het is niet te bevatten.’

Om het hele verhaal te vertellen, moest hij beginnen bij het begin. In Kindsoldaat gaat hij generaties terug, tot in de 19de eeuw, naar het familiekasteel op de grens van Nederland en Duitsland. Daar ontsprong een mineraalwaterbron met de naam Snelle Sprong. ‘Een van mijn moeders voorouders is daar begonnen met het exploiteren van mineraalwater. De limonade die ervan werd gemaakt, werd in flesjes verkocht als SS-limonade. De familie heeft daar veel geld aan verdiend. Alles veranderde natuurlijk toen SS een andere betekenis kreeg. Dat idee, dat iets wat zo puur en onschuldig is als dat bronnetje, besmet kon raken door iets waar het zelf niks aan kon doen, resoneerde bij mij. Ik ben toen voluit gaan schrijven, met alles wat ik tot mijn beschikking had aan herinneringen, familieverhalen en interpretaties. Ik dacht dat ik zou ophouden in de Tweede Wereldoorlog, ik dacht dat het een historische roman zou blijven. Ik wílde helemaal niet bij mezelf terechtkomen. Maar ik kwam al schrijvende bij de ontmoeting van mijn moeder en Bernhard, en van daaruit bij mijn eigen geboorte. Toen Kindsoldaat verscheen, in 2018, dacht ik: nu kan ik eindelijk vertellen wie ik ben. En dat heb ik ook gedaan. In mijn boek werd ik geboren, maar in het echt voelde het ook zo. Ik was een baby. Achteraf moet ik vaststellen dat ik er helemaal niet klaar voor was.’

‘Ik heb mezelf voor de leeuwen gegooid. Want ik wilde zo graag. Ik had ook zo veel zin om naar Eva Jinek te gaan. Maar inderdaad, haar wantrouwen klonk precies zoals mijn eigen innerlijke stem al die jaren had geklonken. Het was voor mij het zoveelste bewijs dat ik maar beter in mijn binnenwereld kon blijven. En gelukkig leef ik niet in de wereld van de krant en de televisie. Vrij snel na die mediaoptredens ben ik Jachthuis gaan schrijven. Toen dat af was, dacht ik: nu ben ik écht klaar om ermee naar buiten te komen. Ik stond in de startblokken, maar toen brak de pandemie uit. Mijn man Steven Van Watermeulen, die acteur is bij ITA (Internationaal Theater Amsterdam, red.), kwam thuis omdat al zijn voorstellingen waren afgelast. Alles werd afgezegd. Dat was het kosmische gegeven, de werkelijkheid, hoe je het ook noemen wilt. Ik ben naar binnen gekeerd, In de naam van de zoon gaat over wat er daarna gebeurde.’

‘Ze heeft me overgehaald, en daar ben ik haar enorm dankbaar voor. Het was aanvankelijk mijn plan om van hem iemand anders te maken. Omdat ik enorm bang was dat hij mij zou verpletteren. Andermaal verpletteren, eigenlijk. Bernhard heeft mij niet kapotgemaakt, maar hij heeft me wel enorm verzwakt. Ik dacht: ik wil niet dat jij mijn schrijverschap kapotmaakt.’

‘Omdat dan alle aandacht naar hem zou gaan, en dat is het allerlaatste wat ik wilde. Ik ben niet iemand die carrière wil maken of geeft om status. Als je naar mijn leven kijkt, weet je dat. Ik wil niet iemand anders zijn dan wie ik ben en ik wil ook niets aan iemand anders ontlenen. Ik was bang dat mij dat zou worden aangewreven als ik zijn naam zou noemen. Dat het zou worden gezien als een vorm van aandacht zoeken, als iets banaals. En zo werd het ook gezien, door sommigen.’

‘Omdat het moeten overtuigen precies is wat ik nooit meer wil. Ik vind het niet erg dat je deze vraag stelt, want dit is de kern. De kern van mijn pijn heeft te maken met de buitenwereld. Mijn geluk is dat ik nu eindelijk kan zijn wie ik ben, het product van dat zaadje en die eicel. Ik hoef daar geen verantwoording over af te leggen. Mijn geluk is, en ik hoop dat je dat begrijpt, dat ik me daarin niet meer afhankelijk maak van anderen.’

‘Ik deel mijn verhaal, want ik ben nu eenmaal een schrijver. Dit is mijn dikke paspoort, dit is alles wat ik van binnen ben. Deze boeken zijn mijn verwerkingsproces.’

‘Ja, ik heb lak aan juridisch. Ik heb lak aan dat soort waarheid. Dat is voor mij buitenkant, maquillage. Stel dat ik het zou doen, dat ik die dna-test voor elkaar zou krijgen, en er staat straks in de krant dat ik inderdaad de zoon van Bernhard ben. Wat dan? Dan zegt men: maar dat wisten we toch al? Of: wat ben jij een loser zeg, dat je die erkenning belangrijk vindt. Ben jij een schrijver die dit nodig heeft? Vind je jezelf zielig, omdat je een erfenis bent misgelopen? Ik heb het niet nodig. De vanzelfsprekendheid hoeft niet bewezen te worden.’

‘Nou, ik vind het eigenlijk nogal iets intiems. Mag ik mijn dna niet voor mezelf houden? Bovendien: ik wil niet door Beatrix op de thee worden uitgenodigd. Ik wil niks. Geen geld, geen titel, geen bevestiging. Ik vind absoluut niet dat ik een plaats zou moeten hebben binnen de koninklijke familie, want ik zie Bernhard als een geïsoleerd wezen. Als ik Amalia zie, denk ik niet aan Bernhard, of aan een connectie met mezelf. Ik denk alleen maar: good luck. Want wát een leven.’

‘Nee. Ik ben eigenlijk benijdenswaardig in dit verhaal, want ik ben vrij. Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben vrijer dan Bernhard, Beatrix of Amalia ooit zullen zijn.’

***

Zijn moeder (in de boeken heet ze Elsie) en Bernhard ontmoetten elkaar midden jaren vijftig tijdens een wintersportvakantie, zegt Van den Boogaard. Elsie was de privésecretaresse van de toenmalige burgemeester van Utrecht, wiens vrouw hofdame was van Juliana. ‘Bernhard en mijn moeder werden verliefd en kregen een verhouding. Toen dat uit de hand liep heeft de entourage van Bernhard haar aan mijn wettelijke vader gekoppeld, een voormalig paracommando die tot de staf van Bernhard had behoord. Mijn moeder is met hem getrouwd, ze kregen twee dochters, maar Bernhard en zij bezochten elkaar af en toe in het geheim. Tijdens een van die ontmoetingen ben ik verwekt.’

Het geheim bleef een geheim tot zijn moeder en wettelijke vader scheidden. Zijn zussen gingen rond diezelfde tijd het huis uit om te gaan studeren, en Oscar bleef alleen achter met een drankzuchtige en ongelukkige moeder. ‘In mijn leven draait het in de kern om de waarheid niet kunnen omarmen. In een schijnwereld leven, en de echte wereld tot een soort schijn verheffen. Leugen en waarheid zijn te eenduidige begrippen. Ik moest mij de waarheid verbeelden. Mijn wettelijke vader moest ik als mijn echte vader zien, en mijn echte vader als iemand anders. Alles was een verdraaiing. Maar via mijn moeder wist ik precies hoe het zat.’

Zijn moeder, zegt Van den Boogaard, droeg haar eigen ongeluk op hem over. ‘Bernhard koos niet voor haar, hè? Mijn moeder was naast alcoholistisch ook snuiverig. De laatste jaren niet meer, maar het poedertje – cocaïne – was daarvoor altijd een aanwezigheid. Mijn moeder was een chique vrouw, maar eigenlijk een junk. Ze had lijfartsen, zoals ze dat noemde, die in feite deftige dealers waren, huisartsen of militaire artsen, die vrouwen oppepten met hun poedertjes. Overdag lag ze in haar bed en was ze er eigenlijk niet. Om een uur of 5 begon ze te drinken, whisky, dus dat ging snel. In de nachten liep ze rond in huis, op haar laarzen, want ze was een laarzenfetisjist. De gelaarsde kat, noem ik haar in mijn boeken. In haar laarzen bewaarde ze de flessen whisky. Vanaf mijn puberteit, toen ik alleen met haar was, werd het echt alarmerend.’

‘Ja. Ze was een onveilige moeder. Ze voelde geen enkele grens, verorberde mij, en als je dat doet, als je een kind niet respecteert, dan is dat een vorm van misbruik. Ik was haar dienaar, haar nimf. Ze liep elke nacht rond op die laarzen door Source: Volkskrant

Previous

Next