Home

Zij zoeken in Den Haag genoegdoening voor de Colombiaanse ‘bloedkolen’: ‘Mijnbouwbedrijven beloven van alles, maar doen niets’

Slachtoffers van het grove paramilitaire geweld in de Colombiaanse mijnbouwregio Cesar dienen donderdag in Den Haag een klacht in tegen onder meer vier grote energiebedrijven. De bedrijven gebruikten jarenlang zogeheten ‘bloedkolen’ uit Colombia voor hun energieproductie.

Van de vijftien kogels kwamen er vier in zijn lijf terecht, zegt Evelio Aguirre Vargas (62), en hij wijst naar de plekken waar hij werd geraakt. Buik, rug, knie, enkel. Het was 12 januari 2005, en de boodschap van de schutters was duidelijk: ze wilden hem weg hebben uit het steenkoolgebied rond het Colombiaanse stadje Becerril. Toen de daders hem in het ziekenhuis opnieuw probeerden te vermoorden, vertrok hij. Vijf jaar dook hij onder.

Maar hij keerde terug, en nu zit hij hier, op het kantoor van vredesorganisatie Pax in Utrecht, om samen met zijn 26-jarige dorpsgenoot Yerlis Carbonell Rodriguez te vertellen wat zij hebben doorstaan en van wie zij gerechtigheid verlangen.

Over de auteur
Michael Persson is economieverslaggever en commentator van de Volkskrant, met een focus op de oorlog in Oekraïne. Als Amerika-correspondent won hij journalistiekprijs de Tegel.

Donderdag dienen zij in Den Haag een klacht in bij het zogeheten nationale contactpunt van de Oeso, een loket van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Dat verbond van 38 landen heeft namelijk richtlijnen voor zogeheten ketenverantwoordelijkheid – het principe dat ook de kopers en de eindgebruikers van de steenkool uit de mijnen rond Becerril aan te spreken zijn op de manier waarop die gewonnen wordt.

En die eindgebruikers, dat zijn wij. Althans: onze energieleveranciers.

Zo leidde het bloedspoor van Evelio Aguirre Vargas van Becerril naar de lichtknopjes en de stopcontacten van Nieuwegein en Hoogeveen. Onze elektriciteit hier, abstract en onzichtbaar, bleek gemaakt met behulp van bruut geweld daar, concreet en voelbaar. Met Vargas werden naar schatting 50 duizend dorpelingen in de regio Cesar van hun grond verjaagd, die daarna deels in handen kwam van twee westerse mijnbouwbedrijven, het Amerikaanse Drummond en het Zwitserse Glencore. Bij het geweld kwamen in zo'n tien jaar voor en na de eeuwwisseling volgens een recente aanklacht bij een Colombiaanse rechtbank meer dan drieduizend mensen om.

Dat is geen nieuws. Al in 2010 schreven we in de Volkskrant over de mensenrechtenschendingen en de connectie met Nederland, die waren onderzocht door de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo). Het tv-programma Netwerk besteedde er in twee geruchtmakende uitzendingen aandacht aan. Het begrip ‘bloedkolen’ was geboren.

De onthullingen leidden tot Kamervragen, tot een bezoek van toenmalig minister Liliane Ploumen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de regio, tot een Steenkooldialoog, een Steenkoolconvenant en het initiatief Bettercoal, drie pogingen van de overheid en betrokken energiebedrijven om maatschappelijk verantwoord te gaan ondernemen. Prachtig allemaal. ‘Maar eigenlijk is daar teleurstellend weinig uitgekomen’, zegt Joris van de Sandt van Pax, die al ruim tien jaar bezig is met de bloedkolen. ‘Geen van de bedrijven hebben hun economische gewicht gebruikt om de mijnbouwbedrijven te bewegen tot een gedragsverandering.’

Dat is een beetje de makke van de Oeso-richtlijnen. Het zijn vrijwillige afspraken. Je kunt klagen als bedrijven zich er niet aan houden, maar dan nog is het aan hen om alsnog actie te ondernemen. ‘Deze casus laat eigenlijk ook zien waarom wetgeving nodig is’, zegt Van de Sandt, waarmee hij doelt op de wet en richtlijn voor internationaal verantwoord ondernemen, waaraan in Den Haag en Brussel wordt gewerkt (maar die de bedrijvenlobby probeert af te zwakken). ‘Met zo’n wet kun je bedrijven veel eerder verplichten stappen te ondernemen.’

‘We hopen op een vorm van genoegdoening, bijvoorbeeld een fonds waaruit landbouwprojecten en studiebeurzen kunnen worden betaald’, zegt Rodriguez, die als 7-jarige met haar ouders en zusje moest vluchten, en jarenlang van tijdelijk onderkomen naar tijdelijk onderkomen moest verkassen waardoor ze niet naar school kon. Nu proberen Vargas en zij namens de Asamblea Campesina del Cesar por la Restitución de Tierras y el Buen Vivir gerechtigheid te vinden.

De keten van betrokkenheid begint natuurlijk bij de daders zelf. Eind jaren negentig was het steenkoolgebied in de provincie Cesar vergeven van de paramilitairen van de Autodefensas Unidas de Colombia (AUC), die het op de lapjes grond gemunt hadden van lokale boeren die die in de jaren daarvoor juist toegewezen hadden gekregen, in het kader van een grote linkse landhervorming. Dat land was van grootgrondbezitters afgenomen. De revanche van rechts was bloedig. Na twee moordpartijen bij het dorpje Estados Unidos sloegen bijna alle achthonderd lokale boeren op de vlucht, vertelt Vargas, die ook moest vluchten. ‘Onze boerderijen werden toen bezet door de militieleden en hun stromannen.’

Dat was prettig voor Drummond en Glencore, die hun mijnen wilden uitbreiden, zegt Joseph Wilde-Ramsing van Somo. ‘Zij kochten de grond van de militieleden.’

In 2005, toen het rustiger leek te worden, keerde Vargas terug. Hij werd aangesteld als terugkeercoördinator voor zijn dorpsgenoten. Maar juist in dat jaar kocht Glencore een grote mijn in het gebied. De paramilitairen konden geen terugkeerders gebruiken. Vargas werd neergeschoten, anderen zwichtten voor de intimidatie en verkochten hun grond definitief voor een appel en een ei aan de bezetters.

‘Op sommige van die percelen liggen nu de afvalbergen van de mijn’, zegt Vargas. ‘Die grond krijgen we nooit meer terug.’

De grote vraag is hoe hard de connectie was tussen de paramilitairen en de mijnbouwbedrijven. Tegen Drummond werd acht jaar geleden in de Verenigde Staten een rechtszaak aangespannen, maar die liep om procedurele redenen dood – er kon geen directe link worden gelegd tussen de moorden en de managers in de VS. Twee jaar geleden is er in Colombia een nieuwe aanklacht ingediend, nu tegen twee lokale directeuren van Drummond. Die zaak loopt nog.

Kroongetuige daarin is Jaime Blanco Maya, de uitbater van de bedrijfskantine van Drummond. Maya is in 2013 al veroordeeld voor de moord op twee vakbondsleiders die bij Drummond werkten, omdat die zouden hebben geklaagd over de kwaliteit van het eten en de aanwezigheid van paramilitairen in de kantine. Maya beweert nu dat zijn kantine fungeerde om geld door te sluizen naar de paramilitairen: Drummond zou hem via verhoogde facturen hebben betaald voor de moorden en ander geweld. In totaal zou zo 900 duizend dollar (825 duizend euro) van Drummond naar de paramilitairen van de AUC zijn gegaan. Drummond ontkent.

De energiebedrijven zijn daar natuurlijk niet verantwoordelijk voor, zegt Wilde-Ramsing van Somo. ‘Maar ze zijn wel direct met de misstanden verbonden, en dragen zelfs bij aan het voortduren ervan.’

Dat zijn juridische termen die de Oeso als volgt heeft gedefinieerd: ‘Als een onderneming een zakelijke relatie blijft onderhouden met een toeleverancier, zonder dat de gevolgen van een misstand worden verzacht, dan kun je zeggen dat de onderneming die situatie faciliteert.’

‘In dit geval hebben de energiemaatschappijen nog steeds steenkool van Drummond en Glencore gekocht nadat ze hebben geweten van de mensenrechtenschendingen, zonder dat ze daar iets aan hebben gedaan’, zegt Wilde-Ramsing. ‘Dan kun je dus zeggen dat ze hebben bijgedragen aan het voortduren ervan.‘

Niet alleen de kolenstokers RWE (voorheen Essent), Vattenfall (voorheen Nuon), Uniper (voorheen Eon) en Engie (voorheen Electrabel) worden door de Colombianen en hun belangenbehartigers aangeklaagd, maar ook het overslagbedrijf HES en de havenbedrijven van Rotterdam en Amsterdam. Dit omdat ook zij een onderdeel vormen van de keten: via die routes is sinds 2009 naar schatting 100 miljoen ton ‘bloedkolen’ uit Cesar naar kolencentrales in Nederland en Duitsland vervoerd.

De Colombiaanse aanvoer is wel flink afgenomen. Mede door de mensenrechtenproblematiek schakelden de energiemaatschappijen over op leveranciers uit andere landen. Leverde Colombia aanvankelijk zo’n tweederde van de totale Nederlandse steenkoolimport, dat daalde in 2021 naar nog maar zo’n 5 procent. De VS, Australië, en met name Rusland profiteerden. Sinds de Russische invasie in Oekraïne zitten de Colombiaanse kolen echter weer in de lift.

Je zou kunnen zeggen: het probleem lost zichzelf op, wanneer de kolencentrales in Nederland (gedwongen) sluiten. Maar dat is juist een probleem, zegt Yerlis Rodriguez. ‘We zijn bang dat de bedrijven vertrekken, en ons achterlaten zonder dat ze ook maar enige compensatie hebben geboden.’

Glencore is daarvan een goed voorbeeld. De Zwitsers hebben, na veel aandringen, in 2019 eindelijk een onderzoek laten instellen naar de situatie rond hun Colombiaanse mijnen. Ze constateerden dat ze misschien wel ‘medeplichtig waren aan mensenrechtenschendingen en buitensporig geweld door beveiligers’, en signaleerden dat er ‘veel niet duidelijk is over de rol van (dochterbedrijf, red.) Prodeco’. Maar nader onderzoek is niet gedaan. Glencore heeft twee van zijn probleemmijnen vorig jaar overgedragen aan de Colombiaanse overheid. Op de vraag of zij consequenties verbinden aan hun eigen bevindingen, of op zijn minst een Source: Volkskrant

Previous

Next