‘Iedere Nederlander moet financieel kunnen rondkomen, zinvol werk of een dagbesteding hebben in een veilige omgeving, kunnen wonen in een huis en een leefomgeving die niet ziek maken, en kunnen opgroeien en leven in een leefomgeving die gezondheid bevordert.’ Aldus de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) in zijn adviesrapport Op onze gezondheid, dat deze week verscheen. Daarin wordt gejubeld over de voortreffelijke staat van onze publieke gezondheidszorg, waarvan de machinerie wonderschoon in elkaar steekt. Zeker, er is altijd ruimte voor verbetering, maar uiteindelijk hebben we het toch ontzettend goed samen.
Ik maak natuurlijk een grapje, dat staat niet in het rapport. Wat er wel in staat: de publieke gezondheidszorg heeft een wankel fundament, is te vrijblijvend en versnipperd geregeld en te veel gericht op de korte termijn. Qua gemiddelde levensverwachting zijn we gekelderd van een wereldwijde koppositie in de jaren tachtig tot een kleurloze plaats in de middenmoot van de EU. Verder heeft de helft van de Nederlanders een of meer chronische ziekten en zijn er grote sociaal-economische gezondheidsverschillen. En dan het vooruitzicht: de volksgezondheid wordt bedreigd door nieuwe uitdagingen als een verslechterend milieu en klimaat, infectieziekten, zoönosen, de energiecrisis en inflatie.
Om het tij te keren, adviseert de RVS om het budget voor publieke gezondheidszorg flink te verhogen, doelstellingen wettelijk vast te leggen en een speciale regeringscommissaris aan te stellen. Verder moeten we niet meer het individu aanspreken; interventies gericht op verbetering van leefstijl en gedrag zijn te weinig effectief.
Dit is uiteraard niet het enige rapport over onze gezondheidszorg. In een ander, breder onderzoek schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 2021 dat hogere budgetten niet de oplossing zijn. De zorgvraag zal de komende decennia namelijk sneller stijgen dan de groei van onze economie en beroepsbevolking kunnen bijbenen. Er moeten daarom volgens de WRR ‘scherpe keuzes’ worden gemaakt. Dat komt slecht uit; we excelleren op het ogenblik niet in het maken van keuzes, want dat vergt zowel politieke moed als maatschappelijke draagkracht. Het is de vraag welke van die twee onze zwakste schakel is.
Als hogere budgetten geen structurele oplossing bieden, is die andere RVS-suggestie mogelijk sterker: niet meer het individu aanspreken. Het lijkt me in verschillende opzichten sowieso een verbetering als het individualisme een paar plaatsen terug in rang wordt gezet en het collectief meer naar voren komt. Zo zat ik laatst te mijmeren over een aardig, maar voor ons irreëel model dat ik ken van mijn zomervakanties vroeger in Marokko: samenwonen met opa of oma. Deze woonvorm zou in Nederland op drie terreinen een positief effect hebben: de zorg voor (eenzame) ouderen, het tekort in de kinderopvang – waarmee ook meteen dat geëmmer opgelost kan worden over deeltijdwerkende moeders – en de krapte op de woningmarkt.
Deze woonvorm past alleen niet in onze cultuur, onze huizen zijn er niet op ingericht en mogelijk zou de vraag naar geestelijke gezondheidszorg juist toenemen. Reuze gezellig hoor, zo’n vol huishouden, je humeur moet het wel alle dagen dragen.
Toch is het de moeite waard hierover langer na te denken en varianten te bedenken. In de studententijd vinden we het bijvoorbeeld normaal om met vrienden samen te wonen, waarom zou dat in een latere levensfase niet kunnen? Het vergt een andere inrichting van huizen en ook de fiscus zal een en ander moeten verbouwen, maar de potentiële maatschappelijke winst is de moeite van het onderzoeken waard. Er zijn vast nog tal van manieren te bedenken waarop we voor elkaar kunnen zorgen.
Source: Volkskrant