Het voelde alsof we twee gigantische krachten waren die tegenover elkaar stonden: de aarde en de zee die vandaag voor eens en voor altijd moesten beslissen waar de golven worden gebroken en waar de branding begint.
‘Meneer’, zei ik. ‘Dit is gewoon mijn handtekening. Dat is ze al mijn hele leven.’
‘Ik ga dit niet goedkeuren’, herhaalde de gemeenteambtenaar snibbig.
‘Maar waarom niet?’, vroeg ik.
‘Dit is een soort streep. Geen handtekening.’
‘Heb je wel eens naar jezelf gekeken’, wilde ik antwoorden, maar ik slikte de zin net op tijd in omdat ik inzag dat mijn strijd kansloos was. Dat is die altijd wanneer je tegenstander een baliemedewerker is. Mensen achter een balie vinden namelijk dat alles wat zij zeggen per definitie klopt, puur en alleen omdat ze achter een balie staan. Door de plek die ze innemen wanen zij zich de expert, waardoor al het inhoudelijke automatisch irrelevant wordt. Het gaat er enkel nog om wie die inhoud produceert.
‘Zonder nieuwe handtekening krijgt u geen paspoort.’ En alsof hij zijn vreugdeloze aanwezigheid op aarde nog wat verder wilde benadrukken, voegde de ambtenaar eraan toe: ‘Begrijpt u dat, meneer?’
Wat kon ik doen? Ik had een nieuw paspoort nodig en bovendien wist ik diep van binnen dat die onuitstaanbare droogoksel tegenover mij gelijk had. Mijn handtekening slaat helemaal nergens op.
Dat komt door mijn slechte handschrift. Op school bonden mijn leraren nog moedig de strijd aan met mijn onvaste hand, maar het bleek al vrij snel zinloos. Geen letter was hetzelfde als ik schreef. Sommigen waren stevig en vadsig, anderen juist trillerig en iel. Bepaalde woorden helden schuin naar voren, alsof ze gezamenlijk de bladzijde af wilden lopen, terwijl anderen weer achterover leken te kukelen, alsof ze te veel hadden gedronken.
Gelukkig deed niet lang daarna de computer zijn intrede, waardoor ik die handicap kon maskeren. Maar handtekeningen bleven helaas analoog. En omdat het maar niet lukte twee dezelfde versies te produceren, kleedde ik hem gedurende de jaren steeds verder uit tot er inderdaad niet veel meer overbleef dan een rare streep.
Mijn diploma-uitreiking, mijn eerste vaste contract: al die glorieuze momenten gingen daarom gepaard met een zekere schaamte. Vaak dacht ik dan aan de zwierige handtekeningen van mijn ouders, allebei exemplaren waarmee je echt tekent voor het leven.
‘Nou, meneer?’ De gemeenteambtenaar keek me aan met de vernederende glimlach van een overwinnaar, maar hij had gelijk. Het was tijd om volwassen te worden. Ik krabbelde mijn naam, nam met een extra krul afscheid van mijn verleden en plaatste daarna een punt.
Source: Volkskrant