Home

Met z’n allen leuk moeten meedoen in het theater: kan dit moment snel voorbij zijn, please?

Huh, is dat al Lenette van Dongen op het podium? Tien minuten voor aanvang van Dat doet ze anders nooit, haar twaalfde cabaretvoorstelling, loop ik de zaal in. Ik ben naar het Apeldoornse theater Orpheus gekomen voor een recensie en denk het vaste ritueel af te kunnen werken: voor de derde keer een blik werpen op mijn kaartje voor de rij en het stoelnummer dat ik echt wel onthouden heb, mijn plek zoeken, plaatsnemen, opstaan voor iemand die er langs moet, rondkijken, nog vijf keer opstaan voor iemand die er langs moet, mijn notitieboekje en een pen tevoorschijn halen, wachten tot het zaallicht dimt, onzichtbaar worden, er lekker voor gaan zitten.

Niet vanavond. De technicus zet de inloopmuziek, een lekker afrobeatnummer, een tandje harder. Lenette van Dongen staat uitbundig te dansen en zweept het binnendruppelende publiek met armgebaren op om hetzelfde te doen. Baby, come gimme your lo-lo-lo-lo-lo-lo-lo-lo-woah-woah-woah-woah-woah. De zaal begint op het ritme mee te klappen, zoals een zaal zo vaak doet – alsof meeklappen zodra er muziek klinkt een afspraak is.

Harde overgang. De eerste tonen van een liedje dat echt iedereen kent. The club isn’t the best place to find a lover/ so the bar is where I go. ‘Als je wilt, mag je staan, hè!’, roept Lenette van Dongen boven Ed Sheeran uit. Ze gaat de zaal in, begroet, omhelst. Bijna iedereen die nog zat komt omhoog uit z’n stoel, klapt verder, volgt met zijn ogen de cabaretier die tot op het balkon selfies maakt, danst mee of beweegt in ieder geval.

Ik niet. Ik blijf al die tijd zitten, net als twee oudere mensen in de rij voor me. Ze hebben last van hun rug, hoor ik ze tegen Van Dongen zeggen als die op de terugweg naar het podium even contact met ze maakt. O god, als ze mij maar met rust laat.

Oh-I-oh-I-oh-I-oh-I/ I’m in love with your body. Ik heb geen rugpijn. Wat wel opspeelt, is een aversie tegen de meeste vormen van collectieve publieksparticipatie. En tegelijkertijd: een aversie tegen mijn aversie.

Mijn buurvrouwen, twee vriendinnen van voor in de 30, zijn helemaal los en stoten elkaar aan van plezier. Met mij lijken ze niet bezig. Toch voel ik me ontzettend bekeken. Met dat notitieboekje op schoot valt in mij moeiteloos een arrogante recensent te ontwaren. Wie door mijn ongemak heen kijkt, komt een spoor van afgunst tegen: het lijkt me eerlijk gezegd veel leuker om dit leuk te vinden en mijn schroomvalligheid, als dat het is, niet goed te praten met ‘ik zou in een club ook nooit op Ed Sheeran dansen’, maar in plaats daarvan gewoon te denken: wat maakt het uit, ik geef me over.

Het idee van opstaan en dansen bezorgt me een opgelaten gevoel. Maar mijn starre weigerachtigheid brengt evengoed ongemak en schaamte met zich mee: in een groep die massaal gehoor geeft aan de oproep om in beweging te komen, vallen degenen die blijven zitten op. Opvallen is absoluut niet mijn bedoeling. Ik wil gewoon dat Lenette van Dongen met haar show begint. Kan dit moment snel voorbij zijn? Please?

Eindelijk. ‘Hallo Apeldoorn, ik ben er weer!’, roept Van Dongen. En daarna: ‘Dat was fijn, effe lekker met z’n allen. Kijk, ik kan wel een kwartier in de kleedkamer wachten tot jullie er zijn, maar ik dacht: ik leef, ik ga het gezellig maken. Wie vond het leuk?’

Gejuich. Hoe kan het nou toch dat collectieve publieksparticipatie bij de een zulke weerzin oproept, terwijl de ander zich er vrolijk aan overgeeft?

Voor de helderheid: ik heb het dus niet over het type meedoen waarbij een cabaretier één persoon uit het publiek op het podium haalt, of een stand-upcomedian die z’n oog laat vallen op twee mensen op de eerste rij en wil weten of ze een stelletje zijn, wat ze doen in het dagelijks leven, of ze nog weleens met elkaar naar bed gaan. Het gaat mij om momenten van meezingen, meedansen, meeklappen, meespelen als groep.

Lenette van Dongen kan zich geen ongemakkelijke recensent op rij 3 herinneren, zegt ze als ik haar een maand na het optreden Apeldoorn bel om van gedachten te wisselen. In mijn recensie heb ik intussen geschreven dat ze bewondering oproept door precies de levenslustige sfeer te scheppen die ze verkondigt. En dat je wel héél zuur moet zijn wil je twee uur lang met je armen over elkaar naar deze losgekomen vrouw blijven kijken. Dat doet ze anders nooit gaat grotendeels over de vrijheid en plezier die het oplevert om geen concessies meer te doen aan wie je wilt zijn.

Kort na Apeldoorn speelde Van Dongen twee avonden in Delft. ‘De ene avond stond iedereen op, de andere avond bleef tweederde zitten. Het is allebei prima.’ Ze kan zich goed inleven in mensen die niet meedoen ‘uit zelfbescherming’, zegt ze. Het is ook een thema in de voorstelling: ze deelt haar eigen ervaring met de gêne die je kunt voelen over jezelf, waardoor je jezelf of delen van jezelf niet aan anderen durft te laten zien. ‘Misschien ben je als kind belachelijk gemaakt om iets wat je deed, of ben je een keer teruggefloten toen je jezelf liet gaan. Het kan één afkeurende blik zijn die je in één klap weer op je 4-jarige knieën gooit.’

Wat betreft de bereidheid van een zaal om vanaf het eerste moment mee te doen helpt het dat ze in de loop der jaren een behoorlijk vast publiek heeft opgebouwd, denkt Van Dongen. Via sociale media houdt ze die groep op de hoogte van dingen die haar bezighouden. ‘Ik kom dichtbij, maak een vriendinachtig contact. Dit type publieksparticipatie heeft alles te maken met openheid, veiligheid en vertrouwen. Ik nodig de zaal uit om het feestje met mij mee te vieren, om een wij-gevoel te creëren, maar ik fik niemand af die blijft zitten.’ Dat ‘wij-gevoel’ dient de thematiek van Dat doet ze anders nooit, vindt Van Dongen: ‘Een gevoel dat voor iedereen in de zaal herkenbaar is kun je volgens mij alleen maar overbrengen als er een ‘wij’ is.’

Het is inderdaad de winst van meedoen in het theater, zegt socioloog Don Weenink, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en vooral geïnteresseerd in wat mensen doen in de aanwezigheid van anderen. Samen dezelfde handelingen uitvoeren, dezelfde bewegingen maken, dansen, zingen, genereert het gevoel of de perceptie dat een verzameling individuen een sociale groep vormt. ‘In sociologische termen: synchroniciteit veroorzaakt entitativiteit, een groepsgevoel. Maar het kan ook juist een tegenreactie oproepen: dit wil ik niet. Als je erin meegaat, is de opbrengst dat je sterkere verbondenheid gaat voelen met de mensen om je heen. Doe je niet mee, dan voel je je waarschijnlijk autonomer. Of ongemakkelijk, zoals jij beschrijft.’

Mijn dansweigering doet hem denken aan een boek dat hij net herlezen heeft, The Social Construction of Reality. ‘Met dat dansen wordt ter plekke een sociale werkelijkheid gecreëerd waarin meedansen de verwachting is. Zo’n sociale werkelijkheid is een idee dat zich opdringt en wordt uitgevoerd, iets waaraan je je maar moeilijk kunt onttrekken. Jij voelde je waarschijnlijk overvallen of gedwongen, ook al was meedoen geen verplichting. Als je ervoor kiest om niet mee te doen, komt daar nog een gevoel bij; je gaat denken dat anderen jou als spelbreker zien. Of misschien zelfs als sociaal incompetent.’

Terwijl de kans groot is dat de mensen om me heen in werkelijkheid helemaal niet op mij letten. Paul van Lange, hoogleraar sociale psychologie aan de Vrije Universiteit, verwijst naar het zogenoemde ‘spotlight effect’; de menselijke neiging om te denken dat anderen meer aandacht aan je besteden of zich meer op jouw voorkomen of gedrag richten dan in werkelijkheid het geval is. ‘Uit onderzoek naar dit effect blijkt dat we systematisch overschatten hoezeer anderen met ons bezig zijn.’

Tijdens een collectief participatiemoment in een cabaretvoorstelling ligt het nog minder voor de hand dat anderen mijn gedrag opmerken, denkt Van Lange. ‘Jij voelt priemende ogen in je rug, maar de aandacht van de meeste mensen gaat op dat moment waarschijnlijk veel meer uit naar hun eigen aarzeling en ongemak.’ In onze afweging om wel of niet mee te doen, maken we een inschatting van de zichtbaarheid van ons gedrag. Van Lange noemt de wave in een voetbalstadion als voorbeeld van prettig laagdrempelig: ‘Daar levert een kleine bijdrage een grote gezamenlijke beleving op.’

In het theater kan niet deelnemen juist ook heel zichtbaar zijn. Socioloog Weenink begint in dat kader over een ander herkenbaar fenomeen dat hij ‘de inflatie van de staande ovatie’ noemt: het is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering dat nagenoeg de hele schouwburgzaal tijdens het slotapplaus opstaat. De staande ovatie is al lang niet meer voorbehouden aan degenen die willen laten blijken dat ze deze voorstelling uitzonderlijk geslaagd vonden.

Weenink: ‘Als iedereen om je heen gaat staan en jij blijft zitten, maak je bedoeld of onbedoeld een statement: je vond de voorstelling misschien wel mooi, maar kennelijk niet bijzonder genoeg voor een staande ovatie. Je hebt natuurlijk het volste recht om te blijven zitten, maar naarmate meer mensen gaan staan kun je ook hierbij dat ongemakkelijke gevoel krijgen afbreuk te doen aan een gedeelde werkelijkheid.’

Volgens Paul van Lange trekken we onszelf soms over de streep om mee te doen met ‘alternatieve redenen’ die een handeling rechtvaardigen. ‘Je vindt die staande ovatie misschien onzin, maar je denkt: ik moet zo meteen toch al gaan staan om naar de uitgang te lopen, Source: Volkskrant

Previous

Next