Home

‘Mijn leven hangt van veel toevalligheden aan elkaar’

Bij de kennismaking in zijn appartement in Harderwijk overhandigt de bijna 101-jarige Bob Bisschop zijn visitekaartje. Onder zijn naam staat: kolonel b.d. der intendance. Eenmaal militair, altijd militair. Op de eettafel heeft hij een aantal documenten klaargelegd, waaronder een landkaart van Japan en een boek met een zwart linnen kaft. In goudkleurige letters staat er: ‘K.N.I.L. gedenkboek, korps beroepsofficieren 1940-1950’. Hij zegt: ‘Van alle zeker duizend officieren van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger die in dit boek staan vermeld, leeft er nog één. En dat ben ik.’

‘Eenzaam. En heel vervelend, omdat er niemand meer is die deze tijd heeft meegemaakt met wie ik erover kan spreken. Er is geen referentiekader meer waarop ik kan terugvallen. Sowieso zegt Nederlands-Indië tegenwoordig niemand meer wat. Als ik vertel dat ik op Sumatra ben geboren, kijken mensen mij vreemd aan en beginnen over iets anders: ‘Mien, ben je al bij de Jumbo geweest?’

Omdat op deze hoge leeftijd details uit zijn verleden beginnen te vervagen, laat Bob Bisschop een verhaal lezen dat hij schreef over zijn periode als krijgsgevangene tijdens de Tweede Wereldoorlog. De hoofdrolspeler in dit memoir is een blikje dat hij 2,5 jaar lang als zijn kostbaarste bezitting verborgen wist te houden tijdens een gedwongen zwerftocht door Azië. Het was een noodrantsoen dat hij cadeau had gekregen van een oud-docent van het lyceum in Batavia (nu Jakarta), die hij tegen het lijf liep in een krijgsgevangenenkamp op Java. Deze meneer Poot stopte het hem toe vlak voordat Bisschop in erbarmelijke omstandigheden naar Thailand en later naar Japan zou worden verscheept voor dwangarbeid – eerst aan de Birma-spoorlijn en toen die klaar was, op een industriecomplex in Japan. ‘Maak later maar open’, zei Poot over het afscheidscadeau.

Bisschop: ‘Vanaf dat ogenblik heb ik het blikje met mij mee gesjouwd door Azië. Ik verstopte het meestal onder de grond. Toen op 15 augustus 1945 de Japanse keizer op de radio had gezegd dat de oorlog ten einde was, wilde ik iets doen om dat te vieren. Ik besloot het blikje op te graven onder mijn bed in de barak, en het noodrantsoen op te eten. Zou het nog goed zijn, vroeg ik mij af. Ik warmde het op en nam een klein hapje. Het was heerlijk, nasi goreng, een echt feestmaal!’

‘De Japanners gaven ons alleen witte rijst en een waterige soep te eten. Dat was nooit genoeg, we moesten hard werken. Ik heb het blikje in die 2,5 jaar vaak in mijn handen gehad, maar elke keer besloot ik het toch niet te openen, want dan had ik niks meer.’

‘Ja, anders was ik geen militair geworden. Ik was 21 jaar toen de oorlog in Nederlands-Indië begon. Dat is een leeftijd waarop je je vleugels uitslaat en aan het studeren bent. Ik zat net drie maanden op een opleiding voor bestuursambtenaar. Daarna wilde ik in Nederland indologie studeren om als bestuurder de leefwijze van de bevolking van Nederlands-Indië op te krikken. Maar gedwongen door de omstandigheden is het daar nooit van gekomen. De mobilisatie werd afgekondigd en ik moest dienen in het KNIL, en kwam in krijgsgevangenschap terecht. Een paar jaar na de oorlog werd Indonesië onafhankelijk, dus was daar voor mij geen toekomst als bestuurder mogelijk. Ik besloot in het leger te blijven.

‘In totaal heb ik 36 jaar in het leger gediend, vanaf 1949 in Nederland. Daarvan waren twee periodes apart: de jaren bij het KNIL en de jaren dat ik als militair op de Nederlandse ambassade in Washington DC werkte. Daar was mijn taak voor alle logistieke aangelegenheden voor het Nederlandse leger samen te werken met de Amerikanen, van kleding tot geschut. Hoorde ik uit Den Haag dat er jeeps nodig waren, dan vroeg ik de Amerikanen of ze plannen hadden die te maken.

‘Als ex-krijgsgevangene werd ik door de Amerikanen op een voetstuk geplaatst, deuren die voor anderen gesloten bleven, gingen voor mij open. Ik was in een bijzondere tijd in Amerika, het land voerde oorlog in Vietnam. De bevolking was daar diep verdeeld over. Ik denk dat de huidige polarisatie in Amerika toen is begonnen.’

‘Uiteraard mijn vrouw Elvire, Elly werd ze genoemd. Vóór haar had ik wat losse flodders gehad. Als je als jongen goed bent in sport, dan heb je geen gebrek aan aandacht van de meisjes. Ik was atletisch, deed aan atletiek en speelde hockey. Elly zat de laatste twee jaar van het lyceum bij mij in de klas. Ze was ook sportief, bescheiden en rustig. Als ik in de klas weer eens aan het woord was, keek ze mij aan op een manier dat ik dacht: ik moet inbinden.

‘Door de oorlog hebben we elkaar vier jaar niet kunnen zien. Toen ik eind 1945 door de Amerikanen op Borneo was gedropt, heb ik meteen contact met Elly gezocht, ze bleek in Bandung te zijn, op Java, en was bevrijd uit een kamp. Ik voelde de behoefte haar naast mij te hebben, iemand die mij goed kende. En schreef haar: ‘Zullen we trouwen?’ Ze is meteen vertrokken en liftend naar mij toe gereisd. Op 28 februari 1946 zijn we getrouwd.’

‘Nee. We hebben elkaar verteld wat we hadden meegemaakt en zijn een nieuw leven gaan opbouwen in Nederland. Dat is goed gegaan. Als je je loopbaan begint als soldaat en eindigt als kolonel, dan ben je content.’

‘Zorg altijd dat je goed bent met je buren. Als je dat doet, is de kans groot dat zij weer goed zijn voor hún buren.’

‘Door alle ellende die ik heb gezien en meegemaakt, ben ik uit de kerk gestapt. Ik ontdekte dat ik op de verkeerde golflengte zat; ik had de wereld beter en socialer beoordeeld dan die bleek te zijn. Ik ben trouwens de enige protestantse bisschop die door een gereformeerde dominee Nederlands-hervormd is gedoopt in een moskee.’

‘Toen ik als krijgsgevangene op doortocht naar Thailand in een kamp in Singapore zat, wilde ik gedoopt worden. Dat gaf mij een rustig gevoel, alsof er over mij werd gewaakt. Een gereformeerde dominee in het kamp vroeg ik of hij mij Nederlands-hervormd – het geloof van mijn moeder – wilde dopen. Op het complex stond een moskee, dus toen heeft hij mij daar gedoopt.’

‘Toen ik bijna gepensioneerd was, maakten mijn vrouw Elly en ik een groepsreis door het zuiden van Spanje. Met nog twee echtparen bezochten we een mooie kathedraal. Een man in ons gezelschap benoemde de sacrale sfeer in de kerk. Waarop ik ineens dacht aan mijn doop en hem zei: ‘Weet je dat ik de enige protestantse bisschop ben die door een gereformeerde dominee Nederlands-hervormd is gedoopt in een moskee?’ De man keek verbaasd en zei dat hij dat verhaal ooit eerder had gehoord. Hij dacht na, en herinnerde zich een handelsreis in Rio de Janeiro, waar hij in een Nederlandse club een emeritus predikant ontmoette die met dezelfde woorden over die doop in de moskee in Singapore vertelde. Hij bleek de gereformeerde dominee in het kamp te zijn. Dit is een onnoemelijk toeval.’

‘Van het koloniaal werfdepot in Harderwijk vertrok hij naar Sumatra. Deze ‘opa’ (Bisschop tekent met zijn wijsvingers de aanhalingstekens in de lucht) was een bon vivant, de man was niet het succes van de familie. Hij heeft veel gerotzooid in het leven, is drie keer getrouwd. Ik moet veel halfbroers en halfzussen hebben. Op Sumatra trouwde hij met een Indische vrouw, die kort na de geboorte van mijn vader overleed. Mijn ‘opa’ vroeg een kennis of die zijn zoon, een zuigeling was mijn vader nog, wilde overnemen en heeft nooit meer van zich laten horen. Mijn vader wist niet anders of hij was een kind van deze meneer en mevrouw Agerbeek. Tot hij op zijn 18de voor zijn hbs-examen een geboortebewijs nodig had, en zag dat zijn echte vader Bisschop heette. Dat moet een schok voor hem zijn geweest. Mijn vader heeft zijn biologische vader nooit willen opsporen en ontmoeten. Hij droeg mij op dat ook niet te doen. Toch heb ik dat later wel geprobeerd, samen met mijn oudste zoon. We kwamen erachter dat hij een Belg was en uit Gent kwam en onder de valse naam Bisschop naar Nederlands-Indië was gegaan. Hij heette eigenlijk Roelands. Het bevolkingsregister in Gent gaf ons zijn grafnummer, maar we zijn niet naar de begraafplaats gegaan.’

‘Nee, én geen Bob. Dat is eigenlijk niet mijn echte voornaam. Officieel heet ik Harry Alphons, maar niemand heeft mij ooit zo genoemd. Toen mijn moeder was bevallen van mij, vroeg de gynaecoloog: hoe heet hij? Ze antwoordde dat ze met haar man nog moest nadenken over een naam. Waarop de gynaecoloog zei: ‘Ik weet wel een leuke naam: Bob, zo heet mijn hond ook.’ En Bob is het officieus gebleven.’

geboren: 20 april 1922 in Palembang op Sumatra

woont: zelfstandig, in Harderwijk

beroep: militair

familie: drie kinderen, twee kleinkinderen, vier achterkleinkinderen

weduwnaar: sinds 1999

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next