Home

Ik was voortdurend geïntimideerd door mensen die zonder schroom durfden te zeggen wat ze ergens van vonden

Die middag was de middelste dochter (5) thuisgekomen met de ‘verteltas’. ‘Dan moet je een verhaal vertellen voor de klas’, zei ze terwijl ze de tas op tafel tilde. Ze keek me aan, dat was het, dat was het principe van de verteltas.

‘O, leuk’, zei ik. ‘En waar ga jij over vertellen?’

Dat wist ze nog niet, ballet viel af want dat had Jill al gedaan, zwemles was ook al behandeld en haar beste vriendin had over Suriname verteld, want die ís Surinaams. ‘Nou, dan doe jij het toch over Indonesië?’, zei ik, maar wat affiniteit betreft had ik net zo goed kunnen voorstellen om het over pensioenregelingen of de conclusies van het IPCC-klimaatrapport te doen. Ze ging spelen, wat aten we die avond?

Hussen met je neus ertussen, wilde ik zeggen, maar dat is precies de reden waarom de verteltas zo’n goed idee is: het leert kinderen een goed verhaal te houden, helder te formuleren, en dat voor een groep, liefst nog met steekhoudende argumenten ook, zo’n beetje alles wat hussen met je neus ertussen níét is, want tegen je kinderen zeggen dat ze straks wel zullen zien wat de pot schaft en dat je daar verder geen gezeur om wilt, aan mijn tafel geen onderhandelingsruimte, werkt prima zolang het om avondeten gaat, maar retorisch is het natuurlijk niet erg sterk, of ze moet later voor de BBB willen werken, dan voorzie ik een fraaie toekomst.

Hadden wij vroeger maar zoiets gehad als de verteltas, dacht ik terwijl ik even later de vaatwasser stond uit te ruimen, dat zou me een hoop geschutter hebben bespaard. Aan spreken in het openbaar werd toen nog nauwelijks aandacht besteed, laat staan aan debatteren, en tijdens mijn studie had ik dan ook alle zeilen moeten bijzetten om mee te kunnen komen in discussiegroepjes. Later zou ik voortdurend geïntimideerd zijn door mensen die zonder schroom durfden te zeggen wat ze ergens van vonden, iets wat ik zelf alleen maar voor elkaar kreeg in de kroeg, na tien bier, wat mijn gebrek natuurlijk alleen maar accentueerde. Jaloers keek ik naar mensen die het van huis uit hadden meegekregen, die vanzelfsprekende plek aan tafel, niet gehinderd door twijfel, niet gehinderd door vreemde ogen, integendeel, zulke mensen kregen vleugels van publiek. Ook Marcel, in zijn jeugd regelmatig afgestopt met de onbeholpen knaller ‘omdat ik het zeg’, had jarenlang met zó’n kop het podium betreden, om er na gedane zaken zo snel mogelijk weer af te klimmen. Inmiddels konden we stellen dat hij die handicap glansrijk had overwonnen, maar daar moest hij wel eerst 55 voor worden.

Nou, díé tijd gingen we bij onze kinderen nu eens flink inkorten, deze cirkel gingen we doorbreken, dit trauma stopte bij ons!

Dus toen mijn dochter zei dat ze het over zeemeerminnen wilde doen, pakte ik onmiddellijk mijn computer en las ik haar voor over folklore en mythologie, over Babyloniërs en Soemeriërs, over Hans Christian Andersen en schippers en sirenes en de Odyssee van Homerus, en hoewel het concept 5.000 jaar voor Christus ingewikkeld is voor iemand van 5, zat het er even later allemaal toch maar mooi in.

Gister was het zover, de dag van de verteltas.

‘En?’, vroeg ik toen ik haar ’s middags ophaalde van school. ‘Hoe ging het?’

‘Goed’, zei ze.

Meer kwam er niet uit, ook niet tijdens het eten en ook niet toen we ’s avonds in bed de dag met elkaar doornamen.
Nou ja, wel helder geformuleerd.

Source: Volkskrant

Previous

Next