De Italiaanse sterauteur Niccolò Ammaniti ziet eenzaamheid als een vorm van welzijn en laat zich erdoor inspireren. Niet voor niets komen al zijn passies – waaronder muziek, cinema, schrijven en aquaria – het best tot hun recht in afzondering.
Hoe kan een land dat van nature zo komisch is – denk alleen al aan de strapatsen van oud-premier Silvio Berlusconi – toch zoveel bloedserieuze schrijvers voortbrengen? Sla een gemiddeld Italiaans boek open en je merkt direct dat de bladzijden zwanger zijn van de ernst, alsof er gordijnen rondom het verhaal hangen waar geen straaltje humor doorheen kan dringen.
‘De literatuur in Italië heeft inderdaad iets sacraals’, zegt Niccolò Ammaniti (56), een van de grote sterren van diezelfde Italiaanse literatuur. ‘De meeste Italiaanse boeken draaien om gevoelens, om introspectie. Je wordt als schrijver geacht serieus te zijn, tragisch, intellectueel. Terwijl literatuur die je doet lachen, juist iets geweldigs is.’
Ziedaar een van de redenen van het enorme succes van Ammaniti, een schrijver wiens boeken alleen al in Nederland ruim een half miljoen keer over de toonbank gingen. In Italië werden van zijn grote doorbraak, Io non ho paura (Ik ben niet bang), ruim een miljoen exemplaren verkocht, de verfilming werd genomineerd voor de Gouden Beer en zijn boeken verschijnen inmiddels in 44 landen. En o ja, The Times omschreef hem ooit als ‘het Italiaanse woord voor talent’.
Na zijn laatste boek uit 2015 besloot Ammaniti bovendien zijn kinderdroom na te jagen en het als regisseur te proberen. Zijn serie Il miracolo kreeg vijf sterren in de Volkskrant (‘alsof de hoogtijdagen van de Italiaanse cinema – Fellini, Sorrentino – op het kleine scherm voortleven’) en de serie die hij van zijn eigen boek Anna maakte, werd in Italië een grote hit.
Maar op de vraag of hij humor zelf ook als zijn grote kracht ziet, volgt in eerste instantie een behoorlijk humorloos antwoord. Dat is, zo legt Ammaniti even later uit, omdat hij niet zo houdt van interviews. Hij is veel liever alleen, heeft geen sociale media, verschijnt niet bijster vaak in het openbaar en is, in tegenstelling tot veel van die andere Italiaanse schrijvers, de afgelopen acht jaar misschien drie keer op tv verschenen, en dan alleen omdat het moest van zijn uitgever.
Zo ook nu. Voor het eerst in zeven jaar tijd heeft hij namelijk een nieuw boek uitgegeven, Het intieme leven, en dat moet worden verkocht.
‘Zullen we boven gaan zitten?’, vraagt de schrijver terwijl hij door zijn huis loopt, een omgebouwde garage vlak bij stadspark Villa Borghese met op de begane grond een gigantisch aquarium vol tropische vissen en op de eerste verdieping een kantoor dat voor zeker de helft bestaat uit een enorme muziekinstallatie (‘het is door de jaren heen een beetje een... Hoe zeg je dat? Een obsessie geworden.’).
Toen Ammaniti voor het eerst hoorde over de opzet van dit interview, probeerde hij de boot een beetje af te houden. Wat heeft het noemen van mijn favoriete koffietentje in Rome te maken met mijn nieuwe boek, vroeg hij aan zijn uitgever. Dat boek gaat immers over de vrouw van de Italiaanse premier, Maria Cristina Palma, die ooit door een tijdschrift werd uitgeroepen tot mooiste vrouw van de wereld. Het boek gaat over hoe vrouwen vaak worden gereduceerd tot hun schoonheid, over mensen die leven in een wereld van likes en dislikes en over de gevolgen die de vele online filters hebben voor het echte, intieme leven van mensen; het leven dat je niet deelt met je volgers, maar dat zoveel belangrijker is dan die gestileerde fotocollectie op Instagram.
Het is een boek over authenticiteit, zegt Ammaniti. Over de opkomst van wraakporno en de schuld en schaamte die daarbij komen kijken. Dus wat heeft dat allemaal te maken met een paar tips over mijn favoriete film?
Maar gaandeweg het gesprek krijgt Ammaniti er lol in. Hij begint steeds verder uit te weiden over zijn passies, zijn lach wordt breder, zijn tips langer en na een uur, als de tijd eigenlijk is verstreken, vraagt hij: ‘Kan ik er nog een doen? Of past dat niet meer in je artikel? Ik wil je eigenlijk nog iets vertellen over mijn neef Francesco. Dat is denk ik wel grappig, want hij is mijn favoriete slechterik.’
‘Tuurlijk mag dat. Vertel maar iets over uw neef Francesco.’
‘Toen ik 14 was, en net een jaar was blijven zitten op school, zei mijn vader dat ik voor straf de hele zomer in Rome moest blijven. In plaats daarvan moest ik bij neef Francesco logeren. Francesco was ouder, groter, sterker en toen we kleiner waren sloeg hij mij vaak, omdat ik klein en mager was. Op een dag gingen we naar de bioscoop en halverwege de film viel ik in slaap. Francesco zag blijkbaar zijn kans schoon en ging ervandoor. Ik werd midden in de nacht wakker in een donkere bioscoop waar alle rolluiken dicht zaten. Het was een nachtmerrie. Maar later ben ik erachter gekomen hoe waardevol die ervaring eigenlijk was. Ik hou ervan om over slechte mensen te schrijven en daarbij heb ik eigenlijk altijd aan Francesco gedacht. Hij bleek de ideale slechterik. Overigens weet hij dit niet – ik heb dit ook nog nooit aan een Italiaanse journalist verteld. Maar hij leest geen Nederlands, dus hier is het verhaal denk ik wel veilig.’
‘Een van mijn favoriete boeken is Ik ben een legende van Richard Matheson, over een man die alleen overblijft op de wereld. Net als het hoofdpersonage zie ik eenzaamheid niet als iets lijdzaams, maar als een potentieel avontuur. Eenzaamheid is een gevoel dat me nooit heeft gekweld, maar juist geïnspireerd. Je kunt alleen zijn namelijk definiëren als de afwezigheid van anderen. Ik zie het zelf liever als een verrijking, als een vorm van welzijn zelfs, omdat het bij uitstek een moment is waarop je de relatie met jezelf kunt verbeteren. Voor mij als schrijver is het bovendien een moment waarop ik de relatie met mijn verhalen kan verbeteren. Er is zelfs een periode in mijn leven geweest dat ik relaties met echte personen afwees zodat ik de relaties met mijn fictieve personen beter kon onderhouden. Tegenwoordig is dat wat minder, maar ik begeef me nog steeds niet graag in het sociale gewoel. Niet voor niets komen al mijn passies het best tot hun recht in eenzaamheid. Muziek, bijvoorbeeld.’
‘Wim Mertens is een Belgische componist wiens muziek lijkt op de minimalistische stijl van Philip Glass, maar dan wat romantischer. Hij heeft een bijna – hoe zal ik dat omschrijven? – een bijna wit geluid, ook al bespeelt hij zijn piano op een zeer intense manier. Zijn vertelstijl is romantisch maar toch heel simpel. Hij is in staat muziek te componeren waarbij ieder instrument slechts een noot speelt, maar door telkens de ene na de andere toe te voegen weet hij toch werkelijk grandioze concerten te construeren. Het is een soort wiskunde die normaal gesproken ver weg staat van de romantiek, maar toch lukt het hem die twee te combineren. Ik vind dat hij wordt ondergewaardeerd. Ik zet hem thuis vaak op. Zonder muziek kan ik niet lezen, niet schrijven. Het is mijn grote liefde.’
‘Naast muziek heb ik nog drie grote passies in mijn leven: cinema, schrijven en aquaria, waarbij vooral aquaria echt gekmakend geweldig kunnen zijn. Ik heb biologie gestudeerd en ik kan me nog de dag herinneren dat ik op de fiets langs een dierenwinkel reed. Ik ben naar binnen gegaan en een paar jaar later had ik thuis twintig aquaria. Ik was er op gegeven moment zo bedreven in, dat ik vissen begon te fokken en terug verkocht aan dierenwinkels. Aquaria doen mij denken aan mijn schrijfproces. Je gooit er een aantal personages in zonder te weten of die vis uit de Amazone wel past bij een vis uit Afrika, maar uiteindelijk ontstaat er altijd een evenwicht. Daarbij kan het gebeuren dat sommige vissen elkaar vermoorden of juist met elkaar beginnen te paren. Alles kan, net als bij verhalen. Het is bij beide alleen wel belangrijk dat de randvoorwaarden goed zijn. Je moet het juiste licht hebben voor je planten, de juiste hoeveelheid zuurstof, een mooi taalgebruik, een goede watertemperatuur – dan pas kunnen de personages zich ontbolsteren.’
‘Het aquariumdier waar ik het meest van hou, is de axolotl. Kijk alleen al naar zijn gezicht, daar begin je toch meteen van te lachen? Het is een amfibie die niet alleen erg sympathiek is, maar vooral zeer interessant. In tegenstelling tot salamanders blijft dit dier, door een genetisch defect, altijd een larf. Hij blijft dus altijd in de kinderfase steken. Hij kan zich wel voortplanten, maar wordt nooit volwassen. Neotenie, noemen ze dat. Dat is biologisch interessant, maar vooral filosofisch. Hoe is het om als kind een volwassen leven te moeten leiden? In mijn boeken waarin kinderen voorkomen, heb ik vaak aan de axolotl gedacht. Of specifieker: dan dacht ik aan Marcello, de axolotl die ik acht jaar heb gehad. Marcello at mozzarella en was behoorlijk agressief. Hij probeerde altijd in mijn vinger te bijten, maar gelukkig had hij geen scherpe tandjes.’
‘Toen ik klein was wilde ik eigenlijk regisseur worden, maar omdat ik erg verlegen ben, en me daarom niet in staat voelde Jan en alleman te overtuigen een hele productie op te tuigen, ben ik maar gaan schrijven. Toen ik 50 was heb ik alsnog de overstap gemaakt. Da Source: Volkskrant