Door hun extreme buigen kunnen wielrenners en schaatsers vaatproblemen in hun bekken krijgen. Met de Amstel Gold Race voor de deur presenteert het Máxima Medisch Centrum nieuwe inzichten over deze knikvaten.
Profwielrenners Marianne Vos, Annemiek van Vleuten, Laurens ten Dam en Steven Kruijswijk en schaatser Rintje Ritsma: het is maar een greep uit de groep (oud)topsporters die de afgelopen jaren zijn geopereerd aan een opmerkelijke beroepsziekte. Allemaal hadden ze last van vaatproblemen in hun bekken, waardoor hun profcarrière ernstig werd bedreigd.
Ze kwamen terecht in het Máxima Medisch Centrum in Veldhoven, wereldwijd een van de weinige expertisecentra. Honderden beroepssporters en recreanten uit binnen- en buitenland werden in de afgelopen twee decennia in Veldhoven behandeld aan een mysterieuze aandoening die onder veel artsen nog altijd onbekend is.
Vrijdag organiseert het ziekenhuis een symposium in Maastricht, aan de vooravond van de Amstel Gold Race, de voorjaarsklassieker door de Limburgse heuvels. Aanleiding is de promotie van bewegingswetenschapper Martijn van Hooff, die er nieuwe resultaten zal presenteren op het gebied van diagnose en behandeling.
Over de auteur
Ellen de Visser is medisch redacteur op de wetenschapsredactie van de Volkskrant en auteur van de bestseller Die ene patiënt, waarin zorgverleners vertellen over een patiënt die hun kijk op het vak veranderde.
Sportarts Goof Schep, expert op het gebied van vaatproblemen bij duursporters, hoopt op de belangstelling van binnen- en buitenlandse wielerploegen. Ongeveer een op de vijf profwielrenners krijgt tijdens de carrière last van een vaatprobleem, maar die diagnose volgt vaak pas laat. Samenwerking met de begeleidingsteams van profploegen kan helpen om de problemen eerder aan het licht te brengen, denkt hij. Daardoor is vaak een minder zware ingreep nodig en is de kans op succes groter.
Pijn, kramp, een dof gevoel en verlies van spierkracht: dat zijn de klachten waarmee sporters zich bij Schep en zijn collega’s melden. De oorzaak zit in hun bekkenslagader, het bloedvat dat zich vanuit de buik vertakt naar het bovenbeen en dat, normaal gesproken, strak als een elastiekje net voor de heupkop langs loopt.
Doordat wielrenners en schaatsers hun heupen tijdens het sporten extreem en vaak buigen en er veel bloed in hun benen wordt gepompt, kan die slagader wijder en ook blijvend langer worden. Gevolg is dat er een extra bocht of knik in het vat kan ontstaan. Ook als de slagader vastzit aan omliggend weefsel kan veelvuldige buiging zo’n knik veroorzaken.
Door die knik wordt de bloedstroom zwakker, omdat de doorgang nauwer is, maar de stroomsnelheid neemt fors toe. Vergelijk het met een knik in een tuinslang, zegt Schep. ‘Dan kun je op 10 meter afstand de plantjes besproeien.’ De druk die daardoor op het bloedvat komt, kan een litteken veroorzaken aan de binnenkant van de slagader. Bij een deel van de patiënten vernauwt het bloedvat zich daarna steeds verder.
Minder bloedtoevoer naar de benen betekent minder zuurstof in de spieren en de weefsels. Schep: ‘Als een man van 75 kilo keihard fietst, stuurt hij 10 tot 15 liter bloed per minuut naar zijn benen. Als die aanvoer hapert, geeft dat forse klachten.’ Onbehandeld leidt een knikvat vrijwel altijd tot het einde van de sportcarrière. Hoe langer de diagnose op zich laat wachten, hoe ernstiger de gevolgen kunnen zijn. Schep krijgt soms zelfs sporters op zijn spreekuur bij wie de slagader is afgesloten.
Maar juist de diagnose bezorgt de artsen in Veldhoven soms hoofdbrekens. Om te achterhalen of bij een sporter sprake kan zijn van een vaatprobleem wordt een fietstest gebruikt, waarbij de bloeddruk wordt gemeten in enkel en arm. Is dat drukverschil erg groot, dan kan dat duiden op problemen in de bekkenslagader. Maar de test heeft een grote foutmarge, vertelt bewegingswetenschapper Van Hooff. Bij ongeveer de helft van de patiënten blijft de diagnose na de fietstest onzeker.
‘Als ik een sporter op het spreekuur krijg die zegt dat hij bij een snelheid van 35 kilometer per uur pijn in zijn been krijgt, dan kan dat van alles zijn’, verduidelijkt Schep. ‘Een vaatprobleem maar ook slijtage aan de heup, of gewoon geen optimale conditie.’
Op een MRI en een echo is een vaatprobleem meestal goed te zien, zegt Van Hooff. Maar een MRI is duur, die maken de artsen vaak pas ná de diagnose, om de juiste plek voor de operatie vast te stellen. En voor het maken van een echo is gespecialiseerd personeel nodig dat beelden moet maken ‘in een acrobatische houding’, namelijk als de sporter met gebogen benen op de onderzoeksbank ligt.
Daarom testte Van Hooff twee nieuwe technieken: een pedaalkrachtmeting, om het krachtverlies van het been vast te stellen, en een nabij-infraroodmeting, waarmee een verminderde doorbloeding van de spier kan worden berekend. Met die twee technieken, toont hij aan, kan de diagnostiek aanzienlijk worden verbeterd.
In zijn proefschrift komt hij met nog een belangrijke conclusie, een bevinding die voor de betrokken sporters (en hun artsen) een grote geruststelling moet zijn: een operatie is ook op de lange termijn meestal doeltreffend. Ruim 25 jaar geleden begonnen artsen in Veldhoven met het opereren van sporters met vaatproblemen, maar nog nooit was goed in kaart gebracht hoe het die groep vele jaren later verging. Van Hooff onderzocht en ondervroeg enkele honderden sporters en stelde vast dat, afhankelijk van het type operatie, 80 tot ruim 90 procent van hen ook na lange tijd nog altijd minder of geen klachten heeft.
Artsen hebben zich al die jaren toch wat zorgen gemaakt, vertelt Schep, vooral over de meest complexe ingreep, bij sporters met een litteken in de slagader. Bij de meeste sporters kan de slagader worden losgemaakt of worden ingekort, maar als de binnenkant beschadigd is geraakt, wordt een reconstructie noodzakelijk, legt Van Hooff uit. De slagader wordt dan opgelapt met een stukje uit een ader uit het bovenbeen.
‘Veel wielrenners blijven in de jaren na de operatie intensief fietsen waardoor er veel bloed onder hoge druk door die opgelapte slagader gaat. We waren bang dat de slagader daardoor wijder zou worden en op de plek van de operatie kon scheuren.’ Maar de echo’s die Van Hooff en Schep bij de sporters maakten toonden aan dat op die plek de diameter van het bloedvat niet noemenswaardig groter was geworden.
Er is één ingreep waarbij zich nooit complicaties voordoen, zegt Schep: ‘de fiets zelf opereren.’ Door het stuur wat hoger te zetten, verandert de heuphoek van de renner waardoor er minder snel een knik in het bloedvat ontstaat. Het is een optie voor sporters met milde klachten, alleen: wie minder voorovergebogen op het zadel zit, vangt ook meer wind. Recreanten zijn daar wel voor te porren, zegt Schep, profs vrijwel nooit.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden