Home

We zouden jeugdbescherming in één adem moeten noemen met de toeslagen en Groningen

‘Snoeiharde conclusies’, las ik in een krant. ‘Verwoestend rapport’, kopte een ander medium. Maar het gesprek van de dag werd het niet.

Strikt genomen was het ook niet eens nieuws. Vernietigende rapporten over de jeugdbescherming verschijnen met regelmaat. Wat de onderzoekers doen, is de ambtelijke vorm van het uitschreeuwen. ‘Een onacceptabel laag niveau’, oordeelden inspecties in 2019. De problemen zijn zo groot dat het de vraag is of de overheid nog wel het recht heeft om in te grijpen in een gezin, stelde het onderzoekscentrum van Justitie vorig jaar. ‘Onze mogelijkheden zijn uitgeput, er is een crisisaanpak nodig’, zeiden inspecties onlangs.

‘Voor de jeugdbescherming is de Jeugdwet welbeschouwd uitgelopen op een mislukking’, schrijft nu de Algemene Rekenkamer. Kwetsbare kinderen en gezinnen krijgen niet de nodige hulp.

In het publiek debat zijn ‘toeslagen’ en ‘Groningen’ een symbolisch koppel geworden voor ultiem overheidsfalen. Eigenlijk zouden we ‘jeugdbescherming’ in dezelfde adem moeten uitspreken.

Jeugdzorg, jeugdhulp, jeugdbescherming: voor wie er niets van nodig heeft, kunnen de termen in elkaar overvloeien. Maar jeugdbescherming is iets bijzonders: gedwongen hulp. Een gezin komt onder toezicht, kinderen kunnen uit huis worden geplaatst, het gezag van ouders kan zelfs worden beëindigd. Dit gaat over veertigduizend kinderen en jongeren met wie het zo slecht is gesteld dat de overheid beslist om zorg over te nemen van hun ouders. Een zwaardere verantwoordelijkheid voor ons als samenleving is moeilijk te bedenken. Maar we laten die kinderen stikken. En dat kan ongestoord, omdat weerlozen nu eenmaal het minste lawaai maken.

De Rekenkamer zoomt in op de rol van de Rijksoverheid sinds de invoering van de Jeugdwet in 2015 door – het zal ook niet – het kabinet-Rutte II, met de PvdA. Die wet lijkt achteraf wel ontworpen om rottigheid te veroorzaken.

Vooraf hadden waarschuwingen geklonken: houd de pot met geld voor verplichte hulp apart. Dat was logisch geweest, want je moet als overheid niet eerst zeggen: ‘Wij gaan nu over uw kind’, om vervolgens vast te stellen dat je je eigen dwangmaatregel niet kunt bekostigen. Toch is dat precies wat er gebeurde: alle jeugdzorg kwam in bulk bij gemeenten terecht, en dat na een forse bezuiniging.

En die gemeenten kregen de opdracht om vooral te investeren in preventie. Dan zou de vraag naar specialistische en gedwongen hulp vanzelf afnemen: minder leed voor minder geld. Maar het aanbod schiep de vraag. Er gingen alleen maar meer kinderen gebruikmaken van ‘lichte’ hulp, en die verdrong de steun aan de kinderen die hulp het hardst nodig hadden. Kosten schoten omhoog. Onthoud dat, nu staatssecretaris Van Ooijen klaagt dat ouders hun kinderen wel erg snel met erg kleine probleempjes naar hulpverleners sturen. Het systeem ging naar die probleempjes op zoek.

De Rekenkamer stelt vast dat het Rijk weinig omkeek naar de jeugdbescherming. Er wordt niet eens bijgehouden hoeveel kinderen uit huis worden geplaatst, om maar een detail te noemen. Ook de waarschuwingen dat drastische maatregelen zwaar toezicht vereisen, werden in de wind geslagen. Slecht toegeruste gemeenteraadsleden moesten een oogje in het zeil houden. Ondoenlijk, ook al omdat de jeugdbescherming in ondoorzichtige regionale samenwerkingsverbanden is georganiseerd, feitelijk onttrokken aan welke democratische controle ook. Het leest meer als verwijtbare nalatigheid dan als ongelukkig uitgepakt beleid.

De jeugdbeschermers, de profs, kregen een loodzware opdracht. Ze moesten niet alleen kinderen helpen, maar hele gezinnen. Geen raar idee, want vaak zitten de kinderen in de knel door armoede, schulden of gezondheidsproblemen van ouders. Maar het vergt moeizame tochten langs woningbouwverenigingen, ggz-instellingen, zorgverzekeraars en de Belastingdienst. En wat je daar niet bij kunt hebben, is het vele papierwerk voor meerdere gemeenten met evenzovele werkwijzen. Gemeenten die soms indringend informeren of bepaalde hulp wel strikt noodzakelijk is, maar waarmee hulpverleners liever geen ruzie maken uit vrees dat de geldkraan nog dichter wordt gedraaid.

Geen wonder dat velen het bijltje erbij neer hebben gegooid, met als gevolg een nog grotere druk op de mensen die het werk zijn blijven doen.

Op Haagse departementen wordt inmiddels al vier jaar met hervormingsagenda’s geschoven. De Rekenkamer kan in zijn rapport moeilijk kiezen wat erger is: dat daar nog niets van terecht is gekomen of dat er mogelijk wél iets van terecht gaat komen. Pas stond in de Volkskrant een interview met promovendus Sharon Stellaard, die had vastgesteld hoe zich herhalende slingerbewegingen al decennia dezelfde problemen in de jeugdzorg niet helpen op te lossen: van licht naar zwaar en terug, van landelijk naar decentraal en terug. ‘Wij vinden het noodzakelijk dat de bewindspersonen met enige afstand nadenken’, schrijft de Rekenkamer.

Zat ik op hun plek, dan zou ik beginnen bij gemeenten die zelfs in dit verrotte stelsel enigszins behoorlijk functioneren. Ze bestaan: Deventer, Peel en Maas, Roosendaal, Utrecht en Zaltbommel werden onderzocht door het Verwey Jonker Instituut. Wat opvalt: ‘De professionals hebben in al deze gemeenten een groot mandaat. Gemeenten hebben vertrouwen in hun kwaliteit en kunde.’

Misschien eens kijken hoe je, zonder de boel weer overhoop te gooien, dat vertrouwen in het hele land kunt versterken. Stapje voor stapje, maar zo snel mogelijk, wetend dat kinderen die dat het minst kunnen verdragen elke dag de prijs betalen.

Mailen? k.bessems@volkskrant.nl

Source: Volkskrant

Previous

Next