Home

Sunny Bergman: ‘Ik vind jou wel een goeie vader’
Richard Bergman: ‘Nou, niet echt, nee’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Sunny en Richard Bergman Voor een boek over haar ‘nazi-opa’ sprak Sunny Bergman veel met haar vader, die volgens haar een trauma heeft. Hij is er, na een turbulent leven, laconieker over. „Was jij dakloos?” „Ja, vrijwillig. Het was mooi weer.”

„Dat vertel je nu! Pap, je vertelt allemaal dingen die ik in het boek had kunnen gebruiken.” Sunny Bergman (50) zit bij haar vader Richard (77) thuis om over haar nieuwe boek te praten, een familiegeschiedenis. De titel Mijn nazi-opa geeft aan dat ze geen doorsnee familie heeft. Naast de nazi bevat de familie hippies, communisten, Britse adel, een ‘James Bond-opa’ en, aangetrouwd, Joodse oorlogsslachtoffers.

Haar Nederlandse grootmoeder werkte in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland als dienstmeid bij een burgemeester, die haar verkrachtte. Hieruit werd Sunny’s vader geboren. Zijn moeder stond hem af, hij groeide op in Twente bij haar ouders. Sunny, op haar beurt, groeide op grotendeels gescheiden van haar vader.

Sunny Bergman (Amsterdam, 1972) is documentairemaker en activist. Ze is vooral bekend van haar docu’s over Zwarte Piet en racisme: Zwart als roet en Wit is ook een kleur. Over seksisme maakte ze onder meer Beperkt houdbaar en Sletvrees. Ze werkt nu aan een film over seksueel geweld. Deze week verscheen haar boek Mijn nazi-opa.

Richard Bergman (Rahden, Duitsland, 1945) was textielarbeider, dichter, vormingswerker, opbouwwerker, jeugdleider en computerspecialist. Hij studeerde politicologie, was actief CPN-lid en voorzitter van het overleg van bewonerscommissies in Amsterdam. Ook schreef hij over film voor de communistische krant De Waarheid.

De nazi-opa uit de titel blijft trouwens een schimmig figuur; hoofdpersoon van het boek is Sunny’s vader, die geestig en laconiek over zijn turbulente leven vertelt, wars van Sunny’s pogingen tot psychologisering. Hij voelde zich een eenling, ging zwerven, zat in een Duitse gevangenis, werd provo, jeugdwerker.

Sunny vroeg zich af: in hoeverre werkt de familiegeschiedenis door in het heden? Hoe werken intergenerationele trauma’s?

Nu zit ze bij hem thuis in zijn Amsterdamse seniorenwoning. Sinds hij in 2016 om onduidelijke redenen een dwarslaesie kreeg, brengt ze meer tijd met hem door. Hieruit is het boek ontstaan. „Ik wilde eigenlijk een historisch boek schrijven, over de plek waar mijn vader opgroeide, de arbeidersklasse waar hij vandaan kwam, het opkomend nazisme in de jaren dertig. Maar er speelde van alles in mijn eigen leven, en ik wilde gewoon lekker met mijn vader kletsen. Toen is het een veel persoonlijker boek geworden.”

Ze had relatieproblemen, vertelt ze. „En ik dacht: gek dat ik altijd partners kies die hetzelfde trauma hebben als mijn vader – buitenstaanders, opgegroeid zonder moeder, emotioneel geremd, verslavingsgevoelig. Toen ik aan dit boek begon, en ik steeds duidelijker op een scheiding afstevende, ben ik daar ingedoken. Zo’n boek dwingt je om dingen aan te gaan.”

Wanneer vertelde haar vader voor het eerst dat ze een nazi-opa had? Sunny: „Dat kunnen we ons allebei helaas niet herinneren. Ik heb het een keer terloops gehoord, denk ik. We hadden ooit het plan om samen onderzoek naar die opa te doen, voor een roadmovie naar Duitsland. Maar toen leefde mijn oma nog, en voor haar zou dat niet zo leuk zijn. Nu mijn vader niet meer kan reizen, besloot ik er een boek over te maken.”

Welk intergenerationeel trauma heeft de nazi-burgemeester Richard meegegeven? Sunny: „Mijn vader heeft een trauma omdat hij uit een verkrachting is geboren, omdat zijn ouders hem niet wilden, omdat hij is afgestaan. Hij heeft zich altijd ongewenst gevoeld.”

Richard ziet het zelf minder zwart: „Ach, ik heb geluk gehad, moet ik zeggen. Ik ben bij mijn eigen familie terechtgekomen en ik had een leuke jeugd. We hadden een doodlopende straat, een voetbalteam, een bos met een kasteel. En een heel lieve opa. Die wilde mij heel anders grootbrengen dan hoe hij zijn eigen kinderen had grootgebracht. Ik was zijn tweede kans.”

Sunny: „En dacht je dan: ik zit beter hier dan bij mijn moeder met haar nieuwe man?”

Richard: „Dat weet ik niet. Misschien heb ik dat later wel gedacht. Het was een voldongen feit, hè. Ik moest ermee dealen. Ik was de eerste twee jaar alleen met mijn moeder geweest. We hadden waarschijnlijk een heel hechte relatie.”

Sunny: „En dan…”

Richard: „En dan gaat ze weg.”

Sunny: „Later heb je wel weer bij haar gewoond, als puber.”

Richard: „En dat was ook geen feest. Ik was altijd alleen geweest met mijn grootouders. En dan kom je in zo’n gezin, in de drukte. Ik werd heel anders behandeld dan de andere kinderen. Ik trok mij terug. En als we ruzie hadden, scholden mijn broers mij uit voor rotmof.”

Sunny: „Rotmof… En begreep jij dat dan?”

Richard: „Nou ja, ik begreep wel dat er iets was gebeurd in Duitsland. Er werd niet over gepraat, maar er ging wel een soort verhaal in de familie dat ik de zoon van een Duitse burgemeester was. Het gaf mij ook een uitzonderingspositie.”

Sunny: „Wanneer besefte je dat onze familiegeschiedenis invloed had op je leven?”

Richard: „De eerste keer was toen jij twee jaar oud was. Even oud als ik toen mijn moeder wegging. Toen realiseerde ik me wat die scheiding voor mij moet hebben betekend.”

Jij en ik hadden zo’n goede band, ik droeg je de hele dag bij me in een Boliviaanse doek

Sunny: „Je zag hoe gehecht ik was aan jou?”

Richard: „Jij en ik hadden zo’n goede band, ik droeg je de hele dag bij me in een Boliviaanse doek. Ik heb altijd een ontheemd gevoel gehad. Dat ik alleen in de wereld sta, een stofje in het universum ben. Vrouwen kun je niet vertrouwen, dacht ik, omdat ze toch weer weggaan. Ik kon me moeilijk hechten.”

Sunny: „Toen ik werd geboren, dacht je toen nog steeds: ik ben alleen op de wereld?”

Richard: „Nou, het is niet een kwestie van denken, het is een gevoel dat over je komt. Ik denk dat ik gevoelsmatig invalide ben.”

Sunny: „Je bent nooit in therapie gegaan?”

Richard: „Nee, gelukkig niet.”

Sunny: „Dan had je misschien dat trauma kunnen verwerken.”

Richard: „Ach waarom, ik heb plezier gehad in het leven.”

Hoe heeft Richard zijn trauma doorgegeven aan zijn dochter? Sunny: „Ik denk dat ik altijd het verdriet heb gevoeld van mijn vader, en dat ik me daar verantwoordelijk voor voelde. Als kind voelde ik me schuldig over de scheiding van mijn ouders, nu voel ik me schuldig over mijn eigen scheiding. Ik voel me te verantwoordelijk, het leven hangt zwaar aan mijn hart.”

Tegen haar vader zegt Sunny: „Als ik naar je broers en zussen kijk, ben je toch wel een totaal buitenbeentje in die familie.”

Richard: „Ik heb in Nijverdal een tijdje de rol gehad van dorpsgek. Het was in de jaren zestig, de tijd dat ik zwierf en gedichten schreef.”

Sunny: „Was jij dakloos?”

Richard: „Ja, vrijwillig. Het was een bijzonder leven natuurlijk, er gebeurde van alles. Heel anders dan bij oma in zo’n dorpje in Twente. En het was mooi weer.”

Sunny: „Maar je sliep toch niet buiten?”

Richard: „Nee, in kraakpanden. Of in flats, bij de verwarmingsketels. Dat was lekker warm.”

Sunny: „Hoe kwam je aan eten?”

Richard: „Door mijn gedichten voor te dragen in cafés en snackbars. Ik heb vanaf mijn veertiende in fabrieken gewerkt, maar ik dacht altijd dat er meer in mij zat, ik wist alleen niet wat. Ik kan me één gedicht herinneren dat veel succes had in de snackbar: Gie gie gie/ Marie maakt betere slaatjes dan Sophie.”

Sunny: „Gie, gie, gie… waar slaat dat op?”

Richard: „Nergens op. Het rijmt. Dat vonden ze fantastisch.”

Sunny: „En dan gaven ze je een nasi-bal?”

Richard: „Nou, ik was toen al een moeilijke eter. Ik denk een zak patat. Met mijn vriend Frank Wiering [de latere VPRO-documentairemaker] verkocht ik schilderijtjes aan de deur. Parijse terrassen, de Westertoren, en jongetjes met tranen. Die kochten we bij een fabriekje in Velp voor 1,65 gulden en we verkochten ze voor 4,95 gulden aan de deur.”

Sunny: „Ik ben helemaal vergeten in het boek te zetten dat je in een Duitse gevangenis zat.”

Richard: „Ik werkte in Enschede in een textielfabriek en deed de avond-hbs. Daar ontmoette ik Frank. Zijn vader was een soort Stalin, een communist, en ook directeur van de wapenfabriek Holland-Signaal. Hij had een kanon uitgevonden dat altijd stabiel bleef. Frank en ik huurden een kamer in een kraakpand, maar we werden er door de krakers uitgezet. Toen hebben we zelf een huis gekraakt. Binnen een half uur kwam de politie. We mochten één nacht blijven, de volgende ochtend om acht uur zouden ze terugkomen. Ik dacht: mooi, dan kunnen ze me wekken om naar de fabriek te gaan. Om elf uur werd ik wakker, waren ze gewoon niet gekomen. Op de politie kun je hier ook al niet meer rekenen.”

Richard fietste naar de fabriek, leverde zijn overall in en nam ontslag. Frank wilde een film in Rome gaan maken. „We gingen lopend de Duitse grens over. Daar werd Frank tegengehouden, want hij was minderjarig. Zijn ouders kwamen hem ophalen. ’s Avonds zijn we alsnog gegaan. Liftend, dat ging moeilijk, we hadden lang haar. Als ze zagen dat Frank geen meisje was, reden ze snel door. In München werden we opgepakt in een leegstaand pand. We moesten voor de rechter komen wegens huisvredebreuk. Ik kreeg als verdachte het laatste woord. Dus ik zei: Ich Source: NRC