N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Elke keer dat J.J. (Han) Voskuil in zijn dagboeken over zijn vader begint, veer ik op. Er zijn onvermijdelijk wat dorre plekken in zulke gedetailleerde dagboeken, maar zodra er mensen opdoemen, zoals die vader, valt er veel te beleven.
Klaas Voskuil, de vader van Han, was van 1945 tot 1961 hoofdredacteur van het sociaal-democratische dagblad Het Vrije Volk. Uit de aantekeningen van zijn zoon, ook in Capitulatie, het onlangs verschenen tweede deel van de dagboeken, komt hij naar voren als een dominante, autoritaire, sociaal onhandige man. De confrontaties met zijn zoon hebben een broeierig karakter doordat de gevoelens van onbegrip en afkeer zelden expliciet verwoord worden. Vader en zoon draaien behoedzaam om elkaar heen als boksers die veel reden hebben om het ergste te vrezen.
Ik vermoed dat de zoon soms meer van zichzelf in zijn vader terugzag dan hij wilde erkennen. De vader zag de kwaliteiten van zijn zoon, maar begreep zijn onmaatschappelijke houding – werken was zinloos, net als de rest van het leven – niet.
Op 6 augustus 1958 noteert Voskuil: „Steeds weerkerende kortsluiting tussen vader en mij. Hij wil me in contact brengen met ‘interessante mensen’. Interessante mensen zijn in zijn ogen mensen met een weerzinwekkend blijmoedig optimisme en een alles verterende belangstelling. […] Ik voel me natuurlijk schuldig als ik hem voor de zoveelste keer voorzichtig aan het verstand tracht te brengen dat ik helemaal niemand wil zien of wil leren kennen.”
De vader spoort zijn zoon aan om met schrijven door te gaan, maar die staat aanvankelijk wantrouwig tegenover zijn talent: „Schrijven komt voort uit labiliteit”, schrijft hij nog in 1964 als hij al gedebuteerd heeft met Bij nader inzien. „Het is een neurose, geen cultuuruiting. Omdat het een neurose is, zit er angst achter.” En enkele maanden later: „De enige aanvaardbare vorm van leven is leven in een hol en als het donker is onopgemerkt naar de film sluipen of in een onbekend café zitten.”
Je kunt je achteraf nauwelijks voorstellen dat diezelfde nihilistisch ingestelde man dertig jaar later een van de omvangrijkste (zeven delen) romancycli uit de Nederlandse literatuur zou beginnen: Het Bureau. De dagboeken zijn de oerbron van die meesterlijke cyclus, zoals ook blijkt uit de passages over de vader-zoon-verhouding. De dagboeken zijn kernachtiger, in Het Bureau zijn de scènes met de vader langer en vermoedelijk met meer fantasie aangelengd.
Wat overheerst is het genadeloos harde oordeel. Tegen een broer noemt hij in een dagboek zijn vader „een mengsel van tirannie, goede bedoelingen, zakkigheid en zieligheid”. Hoe het in de dagboeken precies eindigt, weet de gewone lezer nog niet – er volgen nog vijf (!) delen.
Ik heb er daarom Plankton, deel 3 van Het Bureau bij gehaald. Daar zit Maarten, het alter ego van Voskuil, aan het sterfbed van zijn vader. „Toen Maarten de hand pakte, klemde hij zich vast en liet zijn hand niet meer los.” Het klinkt zonder context sentimenteel, maar Voskuil was als schrijver nooit sentimenteel. Dat blijkt ook uit de slotzin van Plankton, kort nadat Maarten zijn vader begraven heeft. „En onverwacht doorstroomde hem een geluksgevoel, zo intens dat hij zich alleen nog had hoeven af te zetten om in de ruimte weg te vliegen.”
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC