Home

‘Leven is loslaten, meer dan vergaren en bezitten’

Krina Huisman verdiepte zich in Nederlandse romans over het verlies van een naaste. De literatuurwetenschapper voelt zich ‘onweerstaanbaar’ aangetrokken door het onderwerp rouw. Dat komt ook door die twee keer dat ze gered werd door een stem diep in haar.

Een 8-jarig wit meisje uit Nederland komt in Zuid-Afrika terecht, kort na het aantreden van Nelson Mandela als president. Ze belandt in een zwarte gemeenschap in de voormalige provincie Oost-Transvaal, waar haar vader als gereformeerde dominee het christelijk geloof wil verspreiden. Het meisje gaat naar de dorpsschool met uitsluitend zwarte kinderen. De wc’s zijn er te vies, dus wordt er in het veld geplast. Wanneer ze dat doet, kijken haar klasgenootjes in een kring belangstellend toe hoe dat bij een wit meisje werkt. Ze besluit het voortaan maar in te houden.

Het lijkt een filmscène, maar het overkomt Krina Huisman in 1995 in werkelijkheid. Als oudste van een gezin met vijf kinderen wordt er een groot beroep op haar aanpassingsvermogen gedaan: ‘Thuis werd maar weinig gesproken over onze plek in een land waar de wonden nog zo voelbaar waren. Het was vooral zaak te overleven.’ Op haar middelbare school met zwarte én witte kinderen schokt ze haar witte medeleerlingen aan het begin van het schooljaar: ze sluit niet aan in de Afrikaanssprekende rij met witte kinderen, maar bij de Engelssprekende, zwarte rij, haar klasgenoten van de basisschool.

Het is een ‘uiterst competitieve’ middelbare school. Met uitstekende cijfers komt ze geregeld ‘op het podium’. Op haar 16de volgt een abrupte overgang naar noordelijk Groningen, waar haar vader dominee wordt. Ze belandt op een middelbare school met een zesjescultuur en voelt zich bezien als ‘dat meisje uit Afrika’. In vakken als Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde heeft ze een achterstand: ‘Toen ik werd gevraagd Nederland op het bord te tekenen, zette ik een rondje.’ Op dat komische succes borduurt ze voort: ‘Als 16-jarige doe je alles voor aansluiting, dus stelde ik me op als een dom blondje.’

Op 36-jarige leeftijd is ze twee masterstudies en een literatuurwetenschappelijk proefschrift verder. Ook is ze getrouwd en moeder van een 2-jarige dochter. Deze week promoveert ze aan de Rijksuniversiteit Groningen op haar boek Van het lot een plot maken, waarin ze ingaat op wat ze ‘rouwplots’ noemt. Haar interesse gaat uit naar patronen in het werk van schrijvers die met het verlies van een naaste, partner of kind, hebben moeten omgaan. Ze analyseert auteurs als Anna Enquist, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen en P.F. Thomése. Zelf heeft ze geen directe ervaring met zulke rouw, maar toch voelt ze zich ‘onweerstaanbaar’ tot het onderwerp aangetrokken: ‘Omdat het zo essentieel is. Ik wil mijn kostbare tijd op aarde wijden aan iets dat wezenlijk is.’

‘Ik las A Grief Observed van C.S. Lewis, een fenomenaal boek uit 1961 over de dood van zijn vrouw. Dat resoneerde diep bij mij. Zijn gevoelens van eenzaamheid, vervreemding en desoriëntatie herkende ik; de momenten waarop die het van je overnemen, het onbekende land waarin je dan terechtkomt. Een leven is gefundeerd op pilaren. Valt er een weg, dan gaat alles trillen en beven en moet je op zoek: wie ben ik, zonder mijn ouder, mijn partner, mijn kind? Wat is nog van waarde, waar geloof ik nog in? Ik zag het belang van die vragen, maar had ook het gevoel: I have been there.’

‘Aan het begin van mijn studietijd voelde ik opeens dat iets donkers het van me had overgenomen. Het dreigde me mee te sleuren. Het was een samenloop van omstandigheden. Ik kreeg voor het eerst zelf de regie over mijn leven, als student op kamers, maar had ook net een punt gezet achter een problematische liefdesrelatie en voelde dat ik het verlies van het land van mijn jeugd nog niet had verwerkt. Toen kreeg mijn moeder ook nog borstkanker. Daar had ik geen ruimte meer voor, wat me een schuldgevoel gaf. Alles kwam samen, ik belandde in een depressie. Het was niet dat ik dood wilde, maar ik kon niet meer verder leven.’

‘Het keerpunt was een ervaring die ik nooit zal vergeten. Ik stond buiten te roken, op een pleintje achter het huis van mijn ouders, toen iets in mij zei: ‘Je hoeft alleen maar adem te halen, ik zorg voor de rest.’ (Tranen) Elke keer als ik het erover heb, word ik emotioneel. Het duistere wat het had overgenomen, werd een halt toegeroepen. Ik ervoer dat als het spreken van God, die me zei: ‘Je hoeft niet met de dood bezig te zijn.’ Er werd op dat moment zo’n gewicht van me afgenomen. Ik kon weer in de richting van het licht en het leven bewegen.

‘Na mijn studie heb ik rond mijn 25ste nog een keer zo’n crisistijd gehad, toen er voor mij als literatuurwetenschapper geen vervolg leek te zijn. Mijn vriend, nu mijn man, vertrok voor zijn studie naar het buitenland, ik zonk diep weg. Ook toen werd ik gered door die stem die dwars door alles heen in mij sprak en zei: ‘Je bent geliefd.’ Ik leef nog niet lang, maar lang genoeg om te kunnen zeggen: die beide ervaringen wil ik voor altijd koesteren. Het was tegen deze achtergrond dat rouw me zo aansprak, want daarbij kun je ook zo in het duister terechtkomen.’

‘Dat is de brede definitie waarin je niet alleen rouwt om de dood, maar ook om bijvoorbeeld het afscheid van je jeugd, een beëindigde relatie, een baan die je kwijtraakt, kinderen die uit huis gaan. In mijn proefschrift hou ik het bij rouwen om de dood, maar zelf zie ik het leven inderdaad als permanent afscheid nemen. Als een proces van loslaten, meer dan van vergaren en bezitten. In mijn ogen is het de kunst om het leven vooral te laten gebeuren.’

‘Een van de belangrijkste lessen die we in het leven kunnen leren is: omgaan met onze machteloosheid. Dat geldt zowel voor de stervensfase als voor de rouwtijd die erna volgt. Wanneer je geconfronteerd wordt met de pijn en de wanhoop van een ander is onze eerste reactie vaak die emoties beheersbaar te willen maken. Zeggen dat ‘het wel goed komt’, goedbedoelde adviezen geven, zoals ‘je moet in therapie gaan’, of door te psychologiseren.

‘Die reacties komen voort uit ons eigen ongemak. Door rouwenden worden ze vooral als onbehulpzaam ervaren, dat is een terugkerend motief in boeken over rouw. Vrienden en familieleden gebruiken clichés als ‘het is maar een fase’, ‘de tijd heelt alle wonden’ of maken lompe opmerkingen als: ‘Heb je het al een beetje kunnen verwerken?’ Dan zetten ze woorden in om zichzelf te beschermen, woorden als schild. Als je inziet dat je dat doet, begrijpt welke rol je eigen ongemak en machteloosheid spelen, kun je een stap zetten naar: leren met een open hart te luisteren, beseffen dat er even geen woorden zijn. Geef ruimte aan de ander, niemand hoeft sterk te zijn, niets hoeft te worden opgelost.’

‘Schrijvers zijn geen therapeuten of profeten, maar ook maar mensen die ronddwalen in het grillige landschap van de rouw, met al zijn dwaalwegen, heuvels en ravijnen. Dankzij hun taalgevoel kunnen schrijvers dat landschap soms wel zo beschrijven dat het voor hun lezers minder onherbergzaam kan gaan voelen.

‘P.F. Thomése slaagt daarin naar mijn gevoel wanneer hij in Schaduwkind zoekt naar nieuwe taal voor wat hij ‘de verbale omkadering van een leegte’ noemt. Met taal kun je hekken plaatsen rond de afgrond. Dan kun je erin kijken, maar zonder erin te vallen. Beelden en metaforen kunnen ruimte creëren, waardoor lezers kunnen ontsnappen uit het gevoel van beklemming dat rouw kan oproepen.

‘Dat kan ook door een oneerbiedige omgang, zoals in de roman Verdriet is het ding met veren van de Britse schrijver Max Porter. Daarin krabt een brutale kraai alles wat heilig is aan rouw met zijn poten en snavel open. Hij zegt dingen als: ‘Ik vind mensen saai, behalve als ze verdriet hebben’, hij lacht om rouw. Zo woelt hij los, ondergraaft hij onze denkbeelden. Met fictie kun je overal heenvliegen, experimentele ruimten betreden. Als je uitsluitend je eigen persoonlijke ervaringen als uitgangspunt neemt, zoals in autobiografische literatuur, kom je daar niet.’

‘Ja, Van der Heijden zegt in Tonio dat hij dat woord uit zijn woordenboek heeft geschrapt. Hij verwijt psychologen daarop te zijn gericht. Dat is onjuist, therapeuten zijn het er allang over eens dat rouw geen overzichtelijk proces met een duidelijk eindpunt is, wat het woord rouwverwerking suggereert. Men weet nu wel dat rouw ook levenslang kan zijn, bijvoorbeeld wanneer ouders hun kind verliezen.’

‘Ja, stappen op weg naar herstel of vormen van persoonlijke groei worden dan afgewezen. Het is de weigering van je lot een plot te maken, zoals Connie Palmen schrijft in haar Logboek van een onbarmhartig jaar (geschreven na het overlijden van haar man, politicus Hans van Mierlo, red.). Paradoxaal genoeg is dat antiplot toch een constructieve omgangsvorm met rouw. Het helpt de schrijver om niet aan zijn verdriet ten onder te gaan. De verwoording helpt niet geheel te zijn overgeleverd aan wat Anna Enquist de ‘woordeloze ellende’ van rouw noemt. Dus het verzet tegen zingeving, vanuit de overtuiging dat de dood ten diepste zinloos is, geeft aan de verlieservaring toch een zekere vorm en betekenis.’

‘Die gedachte kan iemand helpen zijn eigen weg te gaan en goedbedoelde adviezen terzijde te schuiven. Maar aan dit idee kleeft ook het gevaar van isolement. Iedereen moet door rouwprocessen heen, zo bijzonder is het niet. We kunnen ook van elkaars ervaringen leren. Ik ben daarom wel positief over vormen van collectieve rouw, zoals stille tochten, die onderlinge Source: Volkskrant

Previous

Next