Home

Het Prisencolinensinainciusol-effect van de bio-industrie

In de film L’Immensità van Emanuele Crialese probeert een zwijgzaam meisje aan haar omgeving duidelijk te maken dat ze anders is. Ze is verkeerd gemaakt, zegt ze op een zeker moment, ze ziet eruit als een meisje maar ze ís een jongen. In het Rome van de jaren zeventig is niet veel geduld voor een meisje dat zegt zich een jongen te voelen. Zo’n meisje, dat zoveel beter naar zichzelf luistert dan de mensen om haar heen bereid zijn te doen, is gewoon ‘niet goed opgevoed’.

Het enige dat Adri kan helpen, is een wonder.

De enige wonderverrichter die ze kent, is God. En dus steelt ze een zak hosties en eet ze achter elkaar op, in de hoop op hulp van boven.

Heel gek: er gebeurt niets.

Er zit veel muziek in L’Immensità. Een van de nummers is ‘Prisencolinensinainciusol’, een hit van Adriano Celentano uit die periode. Iedere Italiaan kent het, iedereen zingt het mee, maar niemand weet wát-ie zingt. Wat je hoort wanneer je ‘Prisencolinensinainciusol’ luistert, is een opgewekte popmelodie en een onbegrijpelijke tekst, in een op Amerikaans Engels lijkende onzintaal. Volgens Celentano is dat het thema: ‘de onmogelijkheid om te communiceren’. Wie wil begrijpen waar het nummer over gaat, zal door de tekst héén moeten luisteren.

Ver weg van Rome, in Sint-Oedenrode, brandden vorige week geleden twee varkensstallen af. Negenduizend varkens kwamen om. Een paar dagen later meldde EenVandaag dat NVWA-inspecteurs worden geïntimideerd in slachthuizen, en niet durven in te grijpen bij wantoestanden.

Het gekke is: bij zulk nieuws vormt zich in mijn gedachten zelden het concrete beeld van negenduizend verbrande varkens, of de paniek die zich door zo’n stal verspreidt. Meestal denk ik aan de politiek, aan het feit dat megastallen kennelijk nog altijd niet verboden zijn en aan de angstcultuur binnen de NVWA – kortom: aan mensen. Berichten over stalbranden en massale ruimingen hebben op mij vaak het Prisencolinensinainciusol-effect: je hoort iets wat je niet begrijpt, en je vult het in op een manier die je min of meer snapt. De taal van de bio-industrie ken ik, maar de taal van het grenzeloze leed in de bio-industrie krijgt moeilijk vat op mijn gevoel. Pas wanneer er weer beelden opduiken, beelden waarop kuikens in de shredder verdwijnen, panische koeien worden gemept tot ze in elkaar zakken of varkens krijsen van angst, kan ik weer navoelen wat ik al lang wist: dat de bio-industrie een vorm van georganiseerde misdaad is, ook al loopt de wetgeving op dit vlak nog wat achter.

Er is dat verhaal van John Coetzee, waarin Coetzees alter ego Elizabeth Costello een slachthuis midden in de stad verzint, eentje met glazen wanden. Een demonstratie-abattoir. Costello kijkt in dat verhaal naar een tv-programma over industriële landbouw. De camera volgt een kuiken op zijn weg over de lopende band. De band loopt. Nergens heen. En Costello schrijft over de dieren op de band: ‘Als ik er niet meer ben zal er alleen nog maar leegte zijn. Het zal zijn alsof ze nooit hebben bestaan.’ Kennelijk moet je het eerst lezen, en vervolgens horen en zien, net zo lang tot horen en zien je vergaat en je erover kunt schrijven, zodat anderen het weer kunnen lezen.

Zo is het met de bio-industrie als met ‘Prisencolinensinainciusol’: wie luistert en blijft luisteren, hoort op een zeker moment niet langer de onbegrijpelijke taal aan de oppervlakte, maar de onbevattelijke waarheid eronder.

Source: Volkskrant

Previous

Next