Home

Identiteit is een verzameling misverstanden

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Expositie over Joodse Identiteit ‘100 misverstanden over en onder Joden’ in Wenen is een expositie die over meer gaat dan alleen de Joodse identiteit. Als de Jood aan iemand zijn mythische ‘status’ te danken heeft, is het wel aan zijn vijanden.

Voor we het over 100 misverstanden over en onder Joden hebben, de titel van een tentoonstelling die tot en met 4 juni in het Joodse Museum in Wenen te zien is, moeten we het misschien even over Documenta hebben, want misverstanden over en onder Joden zijn dikwijls ook misverstanden over en onder antisemieten. Ja, laten we het eerst over antisemieten hebben, dan keer ik via Kassel terug naar Wenen.

Jean-Paul Sartre (1905-1980) schreef in 1944 in Reflecties op het Joodse vraagstuk: „Als de Jood niet bestond, zou de antisemiet hem uitvinden.” Het eeuwenoude discours over de Jood gaat zelden over het Jodendom, over de 613 mitzwot, de geboden en verboden die het geraamte van de Joodse religie vormen. Maar wat is de Jood dan wel als zijn wezen niet voortvloeit uit zijn religie? Daar komt de antisemiet in het spel, want als de Jood aan iemand zijn mythische status – als ik het zo mag noemen – te danken heeft, is het wel aan zijn vijanden.

Overigens noteert Sartre ook: „Dat er een Joods ras is zal ik niet ontkennen.”

Wat is een ras? Kortgeleden stuurde ik wat spuug naar het Amerikaanse bedrijf Ancestry dat DNA-onderzoek doet, uit dat spuug werd geconcludeerd dat ik honderd procent Joods ben. Het meest verbaasde mij de reacties van mensen die ik over dit onderzoek vertelde. Een paar mensen zeiden met ternauwernood onderdrukte jaloezie: „Oh, ik heb ook zo’n onderzoekje gedaan en ik was maar twintig procent Joods.”

Het verlangen naar raszuiverheid bestaat anno 2023 nog steeds, en niet alleen onder klanten van Ancestry. Het extreemrechtse discours maakt weliswaar niet meer zo vaak gebruik van het woord ‘ras’, maar de gedachte achter het nationalistische gedachtegoed, het verlangen naar homogeniteit, is dat er een zuiverheid bestaat die bewaakt moet worden. Een dergelijk verlangen kun je ook aantreffen bij de aanhangers van de diversiteitsideologie.

Kennelijk is het zinvol mensen onder te verdelen in mensensoorten en te streven naar een rechtvaardige representatie van die mensensoorten. Maar zo’n onderverdeling veronderstelt dat er een waarheid ten grondslag ligt aan die mensensoorten, op zijn minst een maatschappelijke werkelijkheid. Wie mag zich tot de ene mensensoort rekenen en wie mag dat niet?

Ik stuurde wat spuug voor DNA-onderzoek. Daaruit bleek dat ik 100 procent Joods ben

De nazi’s hadden met hun Neurenberger rassenwetten een ingenieus systeem opgetuigd waarbij het aantal Joodse grootouders geteld werd, ook daarmee ontkwam men niet aan grensgevallen die Mischlingen genoemd werden en weer uiteenvielen in Mischlingen van de eerste en tweede graad. Het rabbinale Jodendom heeft het zich makkelijker gemaakt door te stellen: Joods is wie een Joodse moeder heeft.

Je kunt je uiteraard bekeren tot een religie. Het Jodendom is niet happig op bekeerlingen, het Christendom weer wel, maar waarom zou ‘overgaan’ tot een andere etniciteit onwenselijk of onmogelijk moeten zijn? Na gender dysphoria zou je denken dat ethnicity dysphoria ook een plekje verdient in het maatschappelijk discours.

Mede door de herinneringscultuur van de Holocaust wordt met het woord minderheid steeds vaker een groep mensen aangeduid wiens collectieve identiteit bestaat uit de herinnering aan vervolging en lijden. Anders gezegd: de Jood is een uitvinding van de antisemiet, maar als de antisemiet niet zou bestaan zou de Jood hem wel uitvinden. Als de racist niet zou bestaan zou de zwarte hem wel uitvinden en als de vrouwenhater niet bestond zou de feminist hem wel uitvinden.

Gelukkig zijn er voorlopig nog genoeg vrouwenhaters, racisten en antisemieten, maar dat maakt het filosofische probleem niet minder nijpend. Als de collectieve identiteit berust op een herinnering aan vervolging dan moet die vervolging levend gehouden worden opdat de identiteit niet vervliegt. Waar dit eindigt laat zich raden: burgerschap wordt identiek aan slachtofferschap en daarmee kantelt ook het concept van verdienste. In de oude meritocratie had je spreekrecht omdat je iets goed kon of ergens veel vanaf wist – goed, die meritocratie was niet heel rechtvaardig, maar wat is rechtvaardigheid? – in de nieuwe meritocratie genaamd victimcratie heb je spreekrecht omdat jou of de jouwen iets is aangedaan.

De victimcratie kent zijn eigen onrechtvaardigheden en perverse prikkels. Zo lijken de verschillende minderheden meer of minder openlijk in een competitie te zijn beland om de vraag wiens lijden het grootst, het meest authentiek, het belangwekkendst is.

Hier, bij deze strijd om het grootste lijden, komt de Documenta in zicht want daar botste het kolonialisme in Azië op de Jodenvervolging in Europa.

Eerst een korte recapitulatie. In het Duitse stadje Kassel vindt elke vijf jaar een grote kunstshow plaats genaamd Documenta. Nog voor de Documenta afgelopen zomer opende, werden er beschuldigingen geuit dat bepaalde kunstwerken van een Indonesisch kunstenaarscollectief antisemitische karikaturen zou bevatten. In Duitsland werd de kwestie onmiddellijk een schandaal en de directeur van de Documenta moest al snel vertrekken.

Een interessante bijdrage van een Duitse advocaat over de vraag in hoeverre de vrijheid van de kunstenaar haaks kan staan op andere grondrechten, de waardigheid van alle mensen, kreeg nauwelijks aandacht. Het schandaal heeft zijn eigen dynamiek. Over de vraag in hoeverre de kunstwerken werkelijk antisemitisch waren werd in Duitsland aanvankelijk nauwelijks gesproken. En ja, wanneer is een kunstwerk antisemitisch? Dat hangt zeer af van plaatselijke gevoeligheden die allesbehalve eeuwig zijn, denk aan de Nederlandse Fassbinder-affaire in de jaren tachtig.

Van andere zijde werd geopperd dat Indonesiërs, slachtoffers van kolonialisme, misschien geen rekening hoeven te houden met Westerse gevoeligheden. Het progressieve discours bestaat voor een deel nog altijd uit welwillend paternalisme.

De Indonesiërs bleken hoe dan ook pionnen in een Duits-Duits schaakspel over vermeend of werkelijk antisemitisme, waarbij misschien enige opluchting een rol zal hebben gespeeld dat de ‘slechteriken’ voor de verandering eens niet uit Duitsland kwamen

Buiten Duitsland, bijvoorbeeld in Amerika en Nederland, werd met milde verbazing over de Duitse opwinding geschreven. Die verbazing was ook wat overdreven, we kennen Duitsland toch? Of is de vrijwillige onderwerping aan het Amerikaanse cultuurimperialisme, waardoor men in Nederland voeling heeft verloren met andere Europese culturen, een vanzelfsprekende norm geworden?

De Joden lijken de favoriete minderheid van de Duitse en andere staten te zijn geworden. De herinneringscultuur van hun meest recente catastrofe, de Holocaust, is in veel landen staatscultuur geworden en de avant-garde kan niet anders dan zich van die staatscultuur afkeren. Dat verklaart een deel van de irritatie en het onbegrip over het Duits-Duitse schaakspel. Waarom Joden wel en wij niet? Misschien ook een lichte vorm van jaloezie.

Zo kwam ik de gedachte dat Anne Frank wit privilege zou hebben genoten tegen in de krochten van het internet. Mijn voorspelling is dat die wat curieuze opvatting meer en meer mainstream zal worden. Al was het maar omdat menige provocatie die weg heeft afgelegd.

De vraag waar de Jood en zijn al dan niet vermeende privileges ophouden, is een van de vragen die de tentoonstelling in Wenen oproept. Aan de hand van objecten selecteerden alle curatoren hun favoriete misverstanden over (en onder) Joden waarmee een tentoonstelling in vijf delen ontstond: romantisering, Shoa, transgressie, stereotyperingen, voyeurisme en toe-eigening.

De kracht van de tentoonstelling is dat de makers niet hebben geprobeerd de misverstanden op te helderen, of een weg bieden uit het misverstand, maar laten zien dat identiteit altijd een verzameling misverstanden is waartoe je je zal moeten verhouden. Wat dat betreft gaat deze tentoonstelling over meer dan alleen de Joodse identiteit: Wie ben ik? Een serie misverstanden. Als je dat accepteert kun je de vrijheid nemen met die misverstanden te spelen. Deze tentoonstelling is ook een subtiele kritiek op de gedachte, de ideologie, die meent dat er een essentie te vinden is in identiteit, dat er houdingen bestaan waarin het ware ik als vanzelf komt bovendrijven. Elk zelfbeeld ontstaat uit de niet altijd even aangename confrontatie met de buitenwereld en is daardoor op zijn best een compromis. Er kan geen ik worden gecreëerd zonder de buitenwereld. Waarheid is slechts de vrijheid waarmee je je verhoudt tot de reeks misverstanden die je bent.

Een van de misverstanden die in de tentoonstelling wordt uitgelicht gaat over d Source: NRC

Previous

Next