Op zijn bord ligt een snee brood met een plak kaas en ik heb al drie keer gezegd dat zijn koffie koud wordt, maar meneer Van Wieringhe (82) is te verbijsterd om aan zijn ontbijt te beginnen. Met grote ogen achter zijn brillenglazen kijkt hij de afdeling rond. Je ziet hem denken: wat ís dit? Wat dóé ik hier?
Ik sta naast hem te aarzelen met een slab in mijn handen. De andere bewoners heb ik de slab al voorgedaan, die hebben er al een sliert pap en een klodder jam op gemorst, maar meneer Van Wieringhe ziet er onberispelijk uit. Boven de V-hals van zijn trui zit de kraag van een gestreken overhemd en de glanzende knoop van een das. De zilveren haren in een zijscheiding. Ik kan die man toch geen slab voordoen?
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
Onder in de kast vind ik de witte servetten die elk jaar worden gebruikt bij het kerstdiner. Terwijl ik het servet uitvouw en een punt in zijn kraag steek, kijkt meneer Van Wieringhe met die grote verbaasde ogen naar me op en vraagt: ‘Zeg, hoe zit het eigenlijk met mij? Ben ik met pensioen?’
Meneer Van Wieringhe woont hier nu een week. Elke dag is voor hem een aaneenschakeling van confrontaties met dingen die niet kloppen. Zo gaat hij normaal gesproken nooit de deur uit zonder portemonnee, autosleutels en zijn vrouw.
‘U heeft uw autosleutels niet nodig’, zegt mijn collega.
‘Nou, ik wil zo langzamerhand wel weer eens op huis aan. Waar is mijn vrouw?’
‘Uw vrouw is thuis. Ze komt straks bij u op bezoek.’
‘Hoezo ‘op bezoek’?’ Hij lacht verbaasd en schudt zijn hoofd. ‘Ik blijf hier niet, hoor.’
We leggen meneer Van Wieringhe uit dat hij hier is omdat er iets mis is met zijn geheugen. Hij zit nog in het stadium dat hij dat kan begrijpen. ‘O ja, dat zei de dokter ook al.
Mijn geheugen. Nou, dat klopt wel, want ik weet niet eens meer hoe ik hier ben gekomen.’
Maar zijn kortetermijngeheugen is zodanig aangetast dat hij in dit gesprek telkens weer op hetzelfde punt uitkomt: de ontbrekende portemonnee, autosleutels en vrouw. Als hij binnen tien minuten voor de vierde keer met een bezorgde blik zijn broekzakken aftast, kijkt mijn collega me aan. Ze glimlacht mistroostig.
‘Ja, jij kunt erom lachen’, zegt hij.
‘Nee, nee.’ Ze legt haar hand op zijn arm. ‘Ik lach niet om u, meneer Van Wieringhe.
Ik weet gewoon even niet meer wat we kunnen doen om u te helpen.’
Als even later zijn vrouw op bezoek komt, is de verwarring compleet. ‘Daar heb je mijn moeder’, zegt hij.
Meneer Van Wieringhe wil natuurlijk met haar mee naar huis, dus aan het eind van haar bezoek kost het haar de grootst mogelijke moeite om weg te komen. Ze moet een smoes verzinnen of op een onbewaakt ogenblik hard wegrennen.
’s Middags gaat hij op zoek naar de uitgang. De afdelingen voor mensen met dementie zitten langs een vierkante gang met een plein in het midden. Hij rammelt aan alle deuren, maar de uitgang vindt hij niet: die is zo onherkenbaar mogelijk gemaakt en gaat alleen open met een code.
‘Ik heb mijn autosleutels nu echt nodig’, zegt hij boos. We hoeven nu niet meer aan te komen met dat verhaal over de dokter en een geheugen waarmee iets mis is. ‘Ik rijd liever niet in het donker. Als ik vóór het donker thuis wil zijn, moet ik nu vertrekken.’
Aan het eind van de dag staat hij te tollen op zijn benen. ‘U bent moe, hè?’
‘O, jongen. Ik ben doodmoe.’
Aan mijn arm schuifelt hij naar zijn kamer. Tandenpoetsen. Pyjama aan. Verslagen zit hij op de rand van zijn bed. ‘Ik ga hier niet slapen, hoor.’ Ik til zijn benen onder de enkels op en met mijn andere hand op zijn schouder draai ik hem in bed.
Hij laat zijn hoofd in het kussen zakken. ‘Ik kan mijn vrouw niet alleen laten’, zegt hij. Van vermoeidheid is zijn stem zo zwak dat ik hem bijna niet kan verstaan. ‘Dat doe ik niet. Dat kan ik écht niet.’
‘Doe uw ogen maar dicht, meneer Van Wieringhe.’
‘Ik snap er helemaal niets meer van’, zegt hij, en dan valt hij in slaap.
Source: Volkskrant