Noem dat ene woord, en de van nature vaak zo opgewekte gezichtsuitdrukking van de Utrechtse visboer, bloemist of oliebollenbakker begint sombere trekken te vertonen. Glimlach wordt grimas, de stem trilt, de spreekwoordelijke stoom komt uit de oren. Dat woord is: standplaatsvergunning.
De gemeente Utrecht gooit binnenkort namelijk het beleid voor standplaatsen op de schop, waardoor nieuwe partijen ook een kans krijgen hun kraam of stal in de stad neer te zetten. Ondernemers die vaak al decennia op dezelfde plek staan, vrezen voor hun voortbestaan.
‘We worden op straat geflikkerd door Europese regels’, zegt eigenaar Nico van de Ven (52) van bloemenstal De kleine bloemensingel, die zeventig jaar terug door zijn grootvader werd gesticht. ‘En wat moet ik dan? Ik heb geen opleiding, ik kan niets anders. Ik word dus brodeloos. Mijn gezin gaat naar de klote.’
‘Ik kan de inkomsten van die dag niet missen’, zegt kaashandelaar Gert van Beek (51), die al zeker 25 jaar elke zaterdag met zijn wagen in de wijk Wittevrouwen staat. ‘En dat is niet het enige. Het is ook jammer voor de wijk. Straks staat hier misschien iemand met telefoonhoesjes.’
‘Wij zijn cultureel erfgoed’, zegt Romana de Lorenzo (54). Ze stamt uit een roemrucht geslacht van Utrechtse ijsmakers. Haar grootvader opende hier in 1928 de allereerste ijssalon van Nederland: Venezia. Die salon is inmiddels ter ziele, maar de naam ervan prijkt nog altijd op de ijskar waarmee zijn kleindochter langs de Oudegracht staat. ‘En nu schopt Utrecht ons er na 96 jaar uit.’
De nachtmerrie voor de Utrechtse standplaatshouders begon afgelopen najaar. Toen ontvingen ze een brief van de gemeente waarin stond dat hun vergunning per 31 december 2023 niet meer automatisch zou worden verlengd, zoals eerder altijd gebeurde.
Dit had te maken met nieuwe Europese regelgeving rondom zogeheten ‘schaarse vergunningen’. Dit zijn vergunningen waarvan er slechts een beperkt aantal aanwezig is, terwijl het aantal geïnteresseerden groter is. Dat geldt bijvoorbeeld voor standplaatsen. Utrecht heeft er daarvan momenteel 77, waarvoor 81 vergunningen zijn verleend.
Schaarse vergunningen mogen volgens de zogeheten Dienstenrichtlijn van de Europese Unie alleen voor een bepaalde periode worden uitgegeven. Als die periode voorbij is, moeten ondernemers uit de gehele EU de kans krijgen een vergunning te verwerven. Daarbij mag de huidige vergunninghouder niet worden voorgetrokken.
Dat is zuur voor de zittende ondernemers, maar er valt ook iets te zeggen voor zo’n regeling. Zo benadrukte minister Mickey Adriaansens van Economische Zaken onlangs in antwoord op Kamervragen dat dit beleid gefundeerd is op ‘beginselen als evenredigheid, gelijkheid en non-discriminatie’.
Adriaansens schreef ook dat de menselijke invalshoek tweeledig is. Enerzijds is er ‘de marktkoopman wiens familie al tientallen jaren heeft geprofiteerd van een exclusief recht op een mogelijkerwijs zeer gewilde plek’, schreef ze. Anderzijds ‘een ander familiebedrijf dat het moet doen met een minder aantrekkelijke locatie en daardoor wellicht twee keer zo hard moet werken om dezelfde omzet te bereiken’.
Alle Nederlandse gemeenten moeten de nieuwe regels doorvoeren of hebben die de afgelopen jaren doorgevoerd. Maar vooral in Utrecht, waar veel ondernemers al decennia op dezelfde plek staan, leidt dat tot een zeldzaam emotionele confrontatie tussen het vrijemarktdenken en de kleine ondernemers die soms tot het meubilair van een wijk zijn gaan behoren.
Dat heeft vooral met de klungelige aanpak van de gemeente te maken, zo lijkt het. Want wat veel van de ondernemers steekt, is dat de onheilstijding als een complete verrassing kwam. ‘We dachten: als ons contract afloopt, krijgen we gewoon een nieuwe’, zegt Peter Verwijk (61), die met zijn oliebollenkraam al meer dan drie decennia lang in Utrecht staat. ‘Zo ging het altijd.’
‘Als die andere tachtig ondernemers het wel hadden zien aankomen’, zegt Romana de Lorenzo, ‘dan was het mijn eigen stomme schuld geweest. Maar niemand wist het. Hoe kan dat?’
Sommige standplaatshouders wijzen naar de investeringen die ze onlangs nog deden, investeringen die ze naar eigen zeggen nooit hadden gedaan als ze hadden geweten dat ze hun plek mogelijk zouden verliezen. Zo kocht De Lorenzo enkele jaren geleden een pand in de buurt van haar standplaats. ‘Daar is onze keuken en onze opslag’, zegt ze. ‘Medewerkers kunnen er naar het toilet.’
Oliebollenbakker Verwijk investeerde onlangs ‘enkele tienduizenden euro’s’ in de kraam waarmee hij op het Jaarbeursplein staat. ‘Er staan nu allemaal Utrechtse aangezichten op’, zegt hij. ‘Daarmee kan ik straks toch niet in Lelystad gaan staan?’
Half maart hoorden de ondernemers in een zaaltje bij de Jaarbeurs hoe de gemeente van plan was de schaarse vergunningen te gaan verdelen. Wethouder Susanne Schilderman (economische zaken) vertelde de aanwezigen welke opties waren bestudeerd.
Zo was niet gekozen voor een systeem waarbij de eerste inschrijver de plek krijgt. Een veiling kwam er ook niet, omdat de dikste portemonnee dan altijd in het voordeel was. En ook een keuze op basis van vooraf vastgestelde criteria vond het college niet ideaal, zeker omdat daarbij zoiets als binding met de buurt niet kan worden meegenomen. Het werd dus loten.
Voor veel ondernemers is dat een horrorscenario. Ze gruwelen van het idee dat de dobbelsteen straks bepaalt of ze hun met bloed, zweet en tranen opgebouwde handel kunnen voortzetten. ‘Ik heb nog nooit wat gewonnen’, zegt Peter Verwijk, ‘dus ook hier zal ik wel buiten de boot vallen.’
Ook bloemist Nico van de Ven vreest dat hij weinig kans zal maken bij een loting. Voor zijn standplaats aan de rand van het centrum zal veel belangstelling zijn, vermoedt hij. ‘Als je zo’n plek voor 500 euro per maand kunt krijgen, dan ben je koopman.’
Meeloten voor meerdere standplaatsen, om zo de kansen te vergroten, zien veel standplaatshouders niet zitten. ‘Moet ik me dan op de plek van mijn broer inschrijven?’, vraagt Verwijk. ‘Of op de plek van vrienden? Dat vind ik niet fatsoenlijk.’
Voor Romana de Lorenzo verliep de bijeenkomst bij de Jaarbeurs helemaal desastreus. Na de plenaire presentatie informeerde ze bij wethouder Schilderman of het gerucht klopte dat de gemeente twee standplaatsen op de Oudegracht wilde schrappen. En zo ja, om welke plekken het dan ging.
De wethouder antwoordde dat het de plekken van Broodje Ben en Venezia zouden verdwijnen. De gemeente wilde daar meer ruimte creëren voor voetgangers en hulpdiensten.
‘Ik was flabbergasted’, zegt De Lorenzo. Ze keek opzij, waar Boy van Petten van Broodje Ben zat. Wist hij hier iets van? Nee, ook voor hem was dit een verrassing. De wethouder zei dat ze het vervelend vond dat ze het op deze manier moesten horen.
‘Na afloop van die bijeenkomst heb ik gehuild’, zegt De Lorenzo. ‘En nu lig ik er al weken wakker van.’
Veel ondernemers vragen zich ondertussen al maanden af waarom de gemeente niet kiest voor een overgangsregeling, zoals dat in andere gemeenten gebeurt. Verleng alle contracten, zodat de standplaatshouders zich rustig op de nieuwe situatie kunnen voorbereiden.
Maar ja, volgens de gemeente wás er al sprake van een overgangsregeling, en kan dat niet nog eens. Tien jaar geleden besloot de gemeenteraad namelijk de regels voor standplaatshouders te veranderen. ‘Dit is ook zo gecommuniceerd naar de vergunninghouders’, schreef het college onlangs in een brief aan de gemeenteraad.
Desgevraagd toont een woordvoerder van de gemeente de brief die ondernemers in 2013 hebben ontvangen. De brief repte inderdaad over nieuw beleid en een overgangsregeling. De ondernemers konden nog één contract krijgen van vijf of tien jaar.
Daaronder stond deze passage: ‘Na afloop van de door u gekozen contractduur heeft u niet automatisch recht op verlenging van uw vergunning en contract. De standplaats komt op dat moment beschikbaar voor gunning en belangstellenden kunnen zich voor de locatie inschrijven.’
Valt daar nog iets tegenin te brengen? Jazeker, zegt Aygül Şen. Ze is jurist bij de Koninklijke Centrale Vereniging Ambulante Handel (CVAH), die de belangen van standplaatshouders en marktondernemers behartigt. Volgens haar kan Utrecht de contracten nog best een keer verlengen, als de gemeente dit maar goed onderbouwt.
Ze wijst er bijvoorbeeld op dat de vergunningen in Utrecht jarenlang stilzwijgend werden verlengd. ‘Het was een verkapte vergunning voor onbepaalde tijd’, zegt ze. ‘Daarom gingen ondernemers ervan uit dat ook de huidige vergunning weer verlengd zou worden.’
Daarbij speelde mee dat de gemeente ‘niet zijn best deed’ om de ondernemers te informeren over de veranderingen. ‘Ze hebben het één keer genoemd’, zegt Şen. ‘In één brief. Dat was alles. Waarom zeggen ze niet: we hebben steken laten vallen en daarom verlengen we de vergunningen nog een keer? Ze denken veel te moeilijk.’
De wethouder toont zich ondertussen ook niet gelukkig met de gang van zaken. Tijdens een commissievergadering erkende ze onlangs dat de gemeente ‘een heleboel dingen beter had kunnen doen’.
Zo hadden ze veel eerder plannen moeten gaan maken, zodat de ondernemers wisten waar ze aan toe waren. Ook had de communicatie beter gemoeten, en dan vooral naar de ondernemers die pas op de informatiebijeenkomst hoorden dat hun plek zal verdwijnen. ‘Dat is echt verkeerd.’
De wethouder bel Source: Volkskrant