Home

Het kan er bij de beleidsmakers maar niet in dat de ‘gemiddelde burger’ niet bestaat

En toen was het weer de Rekenkamer die met een rapport kwam, dat laat zien dat de diverse overheidsorganen bij het innen van schulden veel kwetsbare mensen (rond de
10 duizend gezinnen) onder het bestaansminimum forceren. Het was het zoveelste rapport dat bevestigt dat je in Nederland maar beter niet bij de ‘kwetsbare burgers’ kunt horen, want dan wordt er in dit welvarende land niet goed voor je gezorgd.

De regelmaat waarmee dit soort rapporten even – ik zou zeggen een dag of twee, hooguit – de gemoederen opschudt, is minstens zo stuitend als hun inhoud. Kim Putters, voormalig directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, maakte er zijn visitekaartje van om bij dit soort berichten steeds opnieuw te zeggen dat het beleid in Nederland onvoldoende is afgestemd op de groep van de kwetsbare Nederlanders, maar moest bij zijn afscheid teleurgesteld constateren dat er al die jaren met zijn aanbevelingen bedroevend weinig was gedaan. Dat mocht hij toen bij Nieuwsuur komen vertellen, dat dan weer wel.

Wilma Vollebergh is emeritus hoogleraar Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. In april is zij gastcolumnist voor de Volkskrant, die elke maand iemand uitnodigt een serie columns te publiceren op volkskrant.nl/opinie.

Het begrip ‘kwetsbaarheid’ wordt in dit soort berichten regelmatig gebruikt, maar zelden gedefinieerd. Maar wie zijn dat dan, die kwetsbare mensen in Nederland waarmee te weinig rekening wordt gehouden? Hoe komt het toch dat het steeds tot zo veel verbazing leidt dat die mensen bestaan? Ik denk dat een deel van het antwoord gelegen is in het feit dat het om veel meer mensen gaat dan vaak wordt aangenomen, dat hun problemen veel hardnekkiger zijn dan wordt verondersteld en dat zij voor veel mensen veel onzichtbaarder zijn dan we denken.

Laat me een voorzichtige poging wagen om dat aannemelijk te maken. Neem IQ. Misschien niet de allerbeste maat voor intelligentie, maar toch een bekende en veel gebruikte indicatie voor snelheid en complexiteit van denken. Met een gemiddeld IQ van 100 voor alle Nederlanders, heeft ruwweg 70 procent van de Nederlanders een IQ van tussen de
85 en de 115. Ongeveer 15 procent zit boven de 115, en ongeveer 15 procent heeft een
IQ onder de 85 (let wel: bij een IQ tussen 70 en 85 wordt door experts gesproken van zwakbegaafd, en onder de 70 van een verstandelijke beperking).

In de loop van de afgelopen decennia lijkt het IQ op bevolkingsniveau weliswaar iets toegenomen, maar naar verhouding is die toename beperkt. Dan hebben we het over ongeveer 2,5 miljoen Nederlanders. Ook ongeveer 2,5 miljoen Nederlanders zijn functioneel ongeletterd. Die twee groepen overlappen niet helemaal – er kunnen meerdere redenen zijn waarom mensen niet goed hebben leren lezen – maar het blijven onrustbarend hoge aantallen.

Recent onderzoek bevestigde dat ongeveer een op de zes (opnieuw rond de 15 procent dus) Nederlanders niet zonder extra steun digitaal kan bankieren. Tweeënhalf miljoen mensen die moeite hebben om in de complexe, gedigitaliseerde samenleving te participeren en die alleen met extra ondersteuning in staat zijn een basisopleiding te voltooien.

Voeg hierbij de mensen die leven met chronische (fysieke of psychische) ziekte of handicaps, en dan heb je een beeld van de groep kwetsbare Nederlanders, hoe groot die is, en hoe moeilijk het kan zijn aan die kwetsbaarheid zelf veel te veranderen.

In een eenvoudige samenleving met werk dat aansluit bij hun capaciteiten (en voldoende wordt betaald, ik zeg het er maar even bij) en in een veilige sociale omgeving, kunnen deze mensen heel goed functioneren. Zij kunnen allerlei andere dan cognitieve talenten hebben (die zich helaas niet altijd uitbetalen) die hen tot waardevolle medeburgers maken. En bovendien, zij hebben simpelweg net als iedereen recht op een kwalitatief goed leven.

Maar het idee dat deze groep mensen zonder extra ondersteuning volledig aan de digitale en complexe samenleving kan deelnemen, is naïef en overoptimistisch. Helaas is dat wel uitgangspunt van veel beleid geweest. Met een beroep op het belang van eigen inspanning (de ‘participatiemaatschappij’, wie bedenkt dat woord?) is een groot deel van de voorzieningen voor kwetsbare mensen afgeschaald of zelfs helemaal afgeschaft. Extra ondersteuning zou immers maar leiden tot luiheid en gemakzucht.

Maar het beleid is complex en het digitale woud aan ondersteunende voorzieningen niet altijd toegankelijk of logisch. Een foutje maken in de vaak onnavolgbare systemen is zo gebeurd, maar wordt genadeloos afgestraft, zoals de verhalen rond de toeslagenaffaire hebben laten zien. Op de een of andere manier kan het er bij de beleidsmakers maar niet in dat de ‘gemiddelde burger’ niet bestaat, dat een substantieel deel van de bevolking het zonder extra ondersteuning niet redt en dat dat geen kwestie van onwil of luiheid is.

De relatieve onzichtbaarheid van deze groep is daarbij een probleem apart. Zij maken geen deel uit van het leger aan politici, journalisten, onderzoekers, beleidsmakers of opinieleiders, dus zij worden door hen niet gezien en hun stem wordt weinig gehoord. Misschien dat een deel van hen hier luidkeels tegen protesteert, maar ik vrees dat de meesten leven bij het adagium ‘wie geschoren wordt, moet stil zitten’.

En dus is het gewoon wachten op het volgende rapport dat laat zien welke ‘kwetsbare Nederlanders’ nu weer in de problemen zijn gekomen, en dat opnieuw constateert dat het beleid nu toch echt rekening met hen zou moeten gaan houden. Schande.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Source: Volkskrant

Previous

Next