Home

Theoloog Huub Oosterhuis bleef hopen op vernieuwing en herkansing voor de katholieke kerk van zijn jeugd

Huub Oosterhuis kon er vijftig jaar later nog net zo enthousiast over vertellen als op het moment dat hij het beleefde: de opening van het Tweede Vaticaans Concilie in 1962. De kerkvergadering die een nieuwe wind in de katholieke kerk zou blazen.

Met medepriesterstudenten zat hij aan de buis gekluisterd, het concilie was het eerste wereldwijde tv-evenement. Zij zagen hoe paus Johannes XXIII aankwam in een draagstoel bij de Sint Pieter, hij gebaarde dat de stoel op de grond moest worden gezet, klauterde eruit en liep de kerk in.

‘Iedereen verstond het symbool: ik ben een van jullie. Op de begane grond tussen zijn broeders. De volgende dag zette hij de liturgie als eerste op de agenda. Daar gebeurde het, mensen zouden worden aangesproken in hun eigen taal.’

Oosterhuis, die zondag overleed op 89-jarige leeftijd, had het idee dat in tien jaar alles anders zou zijn: de liturgie (de muzische taal van de kerk), het celibaat (ongehuwde staat, verplicht voor katholieke priesters), het priesterambt (waarvoor vrouwen zijn uitgesloten), de autoritaire structuur van de kerk. In Nederland was de progressieve Bossche bisschop Bekkers zijn inspirator. Geregeld zat hij bij hem aan de keukentafel om over de hoopvolle toekomst te spreken.

Op 18-jarige leeftijd trad Oosterhuis in bij de jezuïeten, in 1964 werd hij priester gewijd en een jaar later benoemd tot studentenpastor in Amsterdam. In 1969 gooiden de jezuïeten hem uit de orde vanwege zijn opvattingen over het celibaat.

Oosterhuis wilde een gewoon leven en een gezin, in 1970 trouwde hij. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen voortgekomen: zangeres Trijntje en componist Tjeerd.

Het bisdom Haarlem schorste hem als priester. De zachtmoedige bisschop Zwartkruis vermeed de zware term excommunicatie, dus het priesterschap was hem niet ontnomen, vond Oosterhuis. Had misschien moeten gebeuren, is niet gebeurd, voegde hij daar later uitdagend aan toe. De studentenekklesia ging met Oosterhuis verder als buitenkerkelijke kerk.

Waar de officiële kerk leegliep, was bij Oosterhuis alles erop gericht dat de gelovigen zich thuis zouden voelen. Hij vertolkte het nieuwe geluid in de dogmatische kerk, die veel minder de vensters had opengegooid dan gehoopt.

Groot, imposant, theatraal en een stem als een Romeinse stentor. Hij was geboren op 1 november, Allerheiligen. Om 1 uur ’s nachts en het onweerde. Zijn vader zei altijd op zijn verjaardag: ‘Daar kwam hij aan, onder donder en bliksem.’

Oosterhuis was een kunstenaar die floreerde bij een adorerend publiek. Op het podium was hij een eenling die niet makkelijk iemand naast zich duldde. Hoe hij de beker met wijn hief, hield het midden tussen een verheven gebaar en een toost.

Hij schroomde niet de twijfel en de leegte een plek te geven, waar de kerk zich bleef vastklampen aan onwrikbare waarheden. ‘Of het hiernamaals bestaat? Ja God, daar weten we allemaal niks van. Geen idee, we hopen erop.’

En in een interview met Geert Mak: ‘Eeuwenlang hebben mensen zich afgevraagd of ze na hun dood hun geliefden terugzien. Waar is je broer nú? Om zulke vragen gaat het in de allereerste plaats.’

Hij had meer vragen dan antwoorden, al zei hij op de vraag of hij weleens vragen kreeg die hij niet kon beantwoorden: ‘Ik kom er altijd wel uit.’ Ook dat was typisch Oosterhuis – aan zelfvertrouwen geen gebrek.

Het bekendst is Oosterhuis van zijn liederen, die worden grif gezongen in katholieke en protestantse kerkdiensten, in Nederland en ver daarbuiten tot in Indonesië en de Verenigde Staten. Behalve in het bisdom Limburg, daar had de zangpolitie hem uit de zangbundel geschrapt.

Ruim zevenhonderd liedteksten, gebeden en psalmbewerkingen schreef Oosterhuis. Componisten trokken bij wijze van spreken de teksten uit zijn schrijfmachine. Hij is vertaald in het Engels, Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Indonesisch, Fins, Pools en Japans. Pater Jan van Kilsdonk, zijn eerste leermeester, noemde Oosterhuis de grootste vernieuwer van de laatste vijftienhonderd jaar.

In een verkiezing van het mooiste religieuze lied onder NCRV-luisteraars in 2006 eindigde Oosterhuis’ De steppe zal bloeien (melodie Antoine Oomen) op de eerste plaats.

Critici noemden zijn teksten bedwelmend. Zijn woorden gingen met hem op de loop en verloren aan betekenis, vonden zij. Gerrit Komrij had het over kinderlijk gestamel en noemde Oosterhuis een half-linkse paap en een pastoor in spijkerpak.

Bij een door HP/De Tijd in 2004 georganiseerde verkiezing werd Oosterhuis uitgeroepen tot De Ergste Katholiek. Bisschop Gijsen en oud-premier Dries van Agt liet hij achter zich, geen geringe prestatie.

Ook buiten de kerk roerde Oosterhuis zich. Hij was mede-oprichter van het sociaal-cultureel centrum De Populier, waaruit het debatcentrum De Balie is voortgekomen. Hij stond ook aan de wieg van de Rode Hoed, ‘een veilige haven voor kritische en nieuwsgierige denkers en doeners’. ‘Huub heeft volk nodig en een tempel’, zei een studiegenoot.

De paus van Amsterdam werd hij genoemd, spottend door zijn tegenstanders; zijn aanhangers beschouwden het als een eretitel. Zelf vond hij het een onzinnige geuzennaam.

De Bijbel zag Oosterhuis als een opdracht voor solidariteit met onderdrukten. De vraag of God bestaat, vond hij minder relevant. Hij beschouwde de Bijbel als een politiek handboek, een tegenstem die opkomt voor de armen. Jezus moet niet worden aanbeden, maar nagevolgd. Een ander mens laat je niet stikken, barsten, verhongeren, martelen, verdwijnen.

In 2002 was hij lijstduwer van de SP. In deze rol veroorzaakte hij commotie door het Nederlandse uitzettingsbeleid te vergelijken met het ophalen van Joden door de Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Gepeperde uitspraken schuwde Oosterhuis niet. ‘De katholieke kerk is vrieskou, dat is ellende, dat is mensen opsluiten in normen en onlogische en onwaardige begoochelingen waardoor ze volstrekt van elkaar vervreemden.’

Het liefst had hij erkenning gekregen voor wat hij ‘het demasqué van de transsubstantiatie’ noemde: de ontmaskering van de Roomse overtuiging dat Christus aanwezig is in het brood en de wijn. Daarmee trapte hij katholieken van de oude stempel op hun ziel.

De vrije markt vond hij een meedogenloze ideologie, ‘het voorbijbelse recht van de sterkste’. Het verplichte celibaat ‘een van de ziekste uitwassen van het kerkelijk systeem’. Hij had het over ‘VVD’ers, KVP’ers en dat soort tuig’.

Bij de bijzetting van prins Claus in de Nieuwe Kerk in Delft in 2002 hield Oosterhuis op verzoek van koningin Beatrix en haar zonen de overdenking. Oosterhuis was een vriend van Claus en een vertrouweling van de koninklijke familie.

Het huwelijk van Willem Alexander en Máxima, waarvoor hij was uitgenodigd, had hij aan zich voorbij laten gaan. Dat had hij niet aan de grote klok gehangen. Zijn solidariteit lag die dag bij de Dwaze Moeders, zei hij daar later over. ‘Ik vond dat ik die dag aan hun kant moest staan.’

In zijn dankwoord ter gelegenheid van het eredoctoraat dat de gereformeerde VU hem in 2002 had verleend, zei Oosterhuis dat bisschop Bekkers hem als een vader had aangemoedigd. ‘Omwille van hem blijf ik nog vijftig jaar hopen op reformatie, hervorming, vernieuwing, herkansing voor de onvergetelijke katholieke kerk van mijn jeugd.’

Oosterhuis heeft nog 21 jaar mogen hopen. Misschien tegen beter weten in en in elk geval vergeefs.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next