Home

Waarom moet vliegen eigenlijk voor iedereen bereikbaar zijn?

Mijn grootste vliegdecadentie beging ik vermoedelijk in 2008, toen ik in Milaan studeerde. FC Twente speelde eindelijk weer eens Europees voetbal, en moest thuis tegen Schalke ’04. Dat mocht ik niet missen. Ryaniar was zich aan het invechten en ik vond een retourticket voor 99 cent (!) van Bergamo naar Weeze, over de grens bij Nijmegen. In minder dan 24 uur vloog ik op en neer en zag Kenneth Perez de winnende maken. Ooit zal ik dat verhaal met schaamte aan kinderen of kleinkinderen moeten vertellen, mezelf verontschuldigend dat men daar toen geen kwaad in zag.

Ik moest eraan denken toen ik deze week las over het onverwachte besluit van Schiphol om te stoppen met nachtvluchten, waarbij de nacht overigens gedefinieerd wordt als de periode tussen middernacht en zes in de morgen. Wél verwacht was de kop van De Telegravia na het nieuws: ‘Vliegen wordt zo onbetaalbaar voor de gewone man’. Los van het feit dat een paar tientjes méér dat effect natuurlijk helemaal niet heeft, is de vraag waarom vliegen eigenlijk voor iedereen bereikbaar moet zijn.

Ik kon geen goede cijfers vinden, maar het kan niet anders dan dat Nederlanders tot de meest vliegende volkeren van de wereld behoren. Een vliegticket, tot dertig jaar geleden nog een absoluut luxeproduct, is voor de Nederlander heilig geworden. Een niet-vliegende Hollander voelt zich verraden door de vooruitgang, ook al vloog de generatie van zijn ouders nooit. Voor de gewone man was vroeger alles beter, behalve blijkbaar de vakanties in de Dordogne.

Dus is de gewone man opeens communist als het op vliegen aankomt. Op werkelijk elk facet van ons leven accepteren wij in onze kapitalistische maatschappij dat verschillende portemonnees verschillende mogelijkheden geven, van eten tot wonen en kleden. En zelfs op het gebied van mobiliteit vinden we enorme verschillen geen probleem; toen ik nog in een gesponsorde Porsche van Quote rondreed kreeg ik regelmatig een duimpje vanuit een Kia Picanto. Maar er is één uitzondering: vliegen. Vliegen is een grondrecht en mag nooit meer een luxeproduct worden.

Het zal te maken hebben met het economische begrip van verliesaversie. Die komt erop neer dat de pijn van verlies als groter wordt ervaren dan het plezier van een eventuele winst. Wanneer iemand honderd euro verliest, zijn de negatieve emoties groter dan de positieve emoties die dezelfde persoon ervaart bij honderd euro winst. En zo doet het verliezen van de luxe van vliegen de gewone man meer dan het niet hebben van een Porsche of villa.

De Nederlander is overigens zo reislustig omdat hij zijn eigen land zo lelijk heeft gemaakt. De eigen achtertuin staat vol distributiecentra en megastallen en de natuur is gemarginaliseerd. De gewone man heeft, in weerwil van het gejammer over het platteland, werkelijk geen enkele interesse voor een Hollandse vlinder, honingbij of kievit, maar is op Bali of in Zuid-Afrika eindeloos in touch met de natuur. Omdat we kunnen vluchten met goedkope vluchten, accepteren we dat we onze eigen leefomgeving hebben verziekt. Twee weken natuur snuiven in een ver oord, en we kunnen weer een jaar Engels raaigras en dode tegeltuintjes aan.

De gewone man vindt hogere prijzen voor vliegtickets niet eerlijk, ‘want dan kan alleen de elite nog vliegen’. Daarom stel ik dan altijd een vliegrantsoen voor: iedereen nog maar één vluchtje per jaar. Dat levert altijd verwarring op bij de gewone man: dat was nu ook weer niet hoe hij zijn vliegcommunisme bedoelde. Misschien wordt het tijd dat de gewone man eens leert dat hij zo gewoon niet is.

Source: Volkskrant

Previous

Next